Het bestuur of de Raad van Commissarissen van een vennootschap dient zich in zijn taakvervulling te gedragen naar het belang van de vennootschap. Dit is in ieder geval wat er voor het bestuur in artikel 2:129/239 lid 5 BW en voor de Raad van Commissarissen in artikel 2:140/250 lid 2 BW staat beschreven. De wetgever laat echter in ongewisse hoe dit ‘vennootschappelijk belang’ in de praktijk uitgelegd dient te worden. In dit blog zal worden uitgelegd wat wordt bedoeld met het ‘vennootschappelijk belang’ en wat de gevolgen zijn voor een bestuurder wanneer hij het vennootschappelijk belang niet naleeft.

Het bestendige succes

In de rechtspraak wordt uitgelegd wat onder het vennootschappelijk belang wordt verstaan. Het bestuur dient zijn taak in het vennootschappelijk belang uit te voeren, wat wordt gedefinieerd als: de continuering van ‘het bestendige succes van de vennootschap’. Met andere woorden, het bestuur dient zijn taak op een dergelijke manier uit te voeren dat de vennootschap blijft bestaan en daarnaast dient het bestuur actief er zorg voor te dragen dat de vennootschap succes heeft. Succes wordt hierbij gemeten middels de behaalde winst. In concrete gevallen wordt deze maatstaf ingevuld door de omstandigheden van het geval. De voornoemde norm wordt vanaf 1 juli 2021 gecodificeerd in de nieuwe Wet bestuur toezicht rechtspersonen, waarover wij eerder een blog schreven.

Bij het invullen van deze taak zijn het bestuur, alsmede de Raad van Commissarissen, gebonden aan de grenzen die zijn gesteld in de wet, de statuten en de goede zeden en openbare orde. Daarbij betrachten het bestuur en de Raad van Commissarissen de nodige zorgvuldigheid in hun taakvervulling en worden alle belangen binnen de onderneming zorgvuldig meegewogen. Bovendien maakt het niet uit of het bestuur nauw betrokken is bij de onderneming of dat zij een nadere instructie van de vennootschap heeft gekregen. Tot slot dient deze zorgvuldigheid in acht te worden genomen ten aanzien van alle betrokkenen binnen de onderneming.

Concernverhoudingen

Een en ander wordt ingewikkelder wanneer de vennootschap die bestuurt wordt zich bevindt in een concernverhouding. Een voorbeeld van een concernverhouding is bijvoorbeeld een vennootschap die voor 100% aandeelhouder is van een andere vennootschap. Dit wordt in de rechtsleer een “moeder-dochterverhouding” genoemd. Er ontstaat een probleem als het belang van de dochtervennootschap contrair is ten opzichte van het belang van de moedervennootschap. Het autonome bestuur van de dochtervennootschap zou in een dergelijk geval tegen de moedervennootschap in moeten gaan.

Bovenstaande autonomie is dient genuanceerd te worden nu de moedervennootschap 100% aandeelhouder is van de dochtervennootschap. Vennootschapsrechtelijk is het mogelijk dat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, kortgezegd AVA, instructies geeft aan het bestuur. In het geval van een moeder en een dochtervennootschap is het dus mogelijk dat de moedervennootschap, zijnde de AVA, het bestuur van de dochtervennootschap instructies geeft.

Echter, de AVA mag geen instructies geven omtrent bevoegdheden die wettelijk en/of statutair tot de bevoegdheden van het bestuur behoren. Dit zorgt er echter geenszins voor dat het bestuur zijn taak volledig autonoom kan uitvoeren in een moeder-dochterverhouding. Er staat de moedervennootschap - zijnde enig aandeelhouder - niets in de weg om gebruik te maken van haar ontslagbevoegdheid ten aanzien van het bestuur van de dochtervennootschap. Zodoende kan de moedervennootschap het gewenste beleid alsnog (indirect) effectief afdwingen bij de dochtervennootschap.

Handelen in strijd met het vennootschappelijk belang

Het bestuur van een dochtervennootschap bevindt zich dan ook in een lastig parket wanneer het eigen vennootschappelijk belang en de instructies van de moedervennootschap niet op een lijn liggen. Immers het bestuur of de Raad van Commissarissen die hun taakvervulling niet richten op het vennootschappelijk belang, voeren hun taak onbehoorlijk uit. Dit kan er – onder omstandigheden – toe leiden dat genomen besluiten nietig of vernietigbaar zijn. Daarnaast lopen individuele bestuurders en commissarissen het risico persoonlijk aansprakelijk gesteld te worden voor het onbehoorlijke bestuur, indien er sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt. Zeker in een moeder-dochterverhouding dienen het bestuur en de Raad van Commissarissen zich bewust te zijn van dit risico. Het bestuur dient dan ook continu af te wegen wat de beste gang van zaken is: luisteren naar de moeder, of het vennootschappelijk belang nastreven. Gelet op het voorgaande is het wellicht verstandig voor een bestuurder om het vennootschappelijk belang zwaarder mee te laten wegen in zijn besluitvorming.

Conclusie

Concluderend kan dan ook gesteld worden dat de taakvervulling van een bestuurder sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. In beginsel dienen het bestuur en de raad van commissarissen het bestendige succes van de onderneming te garanderen. Dit wordt gedaan op een zorgvuldige manier waarbij de wet en de statuten niet worden overtreden. Een en ander wordt moeilijker wanneer er sprake is van een moeder-dochterverhouding. Praktisch gezien is het bestuur namelijk niet meer volledig autonoom op dit moment. Dit wordt pas een probleem wanneer het belang van de dochtervennootschap haaks staat op eventuele instructies van de moedervennootschap. Het bestuur dient in een dergelijke situatie te beoordelen wat wijsheid is: luisteren naar de moeder, of het vennootschappelijk belang nastreven.

Juridisch advies nodig?

Heeft u vragen over het de taakvervulling van het bestuur of de raad van commissarissen binnen een vennootschap of heeft u andere ondernemingsrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met Peter Kostons.