Inleiding

Een van de funderingen van het contractenrecht is het beginsel Pacta Sunt Servanda. Hierbij is het uitgangspunt dat een gesloten overeenkomst dient te worden nageleefd. Hierbij bestaan wel enkele uitzonderingen. Zo kan een overeenkomst worden aangetast door een beroep te doen op een wilsgebrek. Hierbij wordt een beroep gedaan op een omstandigheid waarbij de wil tot het sluiten van de overeenkomst gebrekkig tot stand is gekomen. De wet kent een viertal wilsgebreken, waarvan dwaling de meest gangbare grond is. In dit blog wordt stilgestaan bij het dwalingsleerstuk en de vereisten voor een succesvol beroep op dwaling.

Eerste hobbel: causaliteit

Voor een geslaagd beroep op dwaling is in de eerste plaats vereist dat de dwalende zonder de dwaling de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Het moet hierbij steeds gaan om een voor de dwalende essentiële eigenschap: een eigenschap die van doorslaggevende betekenis is voor het sluiten van de overeenkomst. Dit causaal verband dient voor de wederpartij kenbaar te zijn: de wederpartij moet immers weten of kunnen weten, dat de omstandigheid waaromtrent wordt gedwaald voor de dwalende essentieel is. Dit is het zogenaamde kenbaarheidsvereiste. De kenbaarheidseis heeft geen betrekking op de dwaling zelf, maar op het voor de ander essentieel zijn van een bepaalde eigenschap.

Tweede hobbel: dwalingssituaties

De wet beschrijft in art. 6:228 BW een drietal situaties waarin sprake kan zijn van dwaling. Deze situaties zijn limitatief en het is niet mogelijk om een beroep te doen op andere gevallen van dwaling. Hieronder passeren zij de revue.

De eerste situatie is aan de orde wanneer de dwaling te wijten is aan een mededeling die de wederpartij heeft gedaan. Denk bijvoorbeeld aan een verkoper die aangeeft dat zijn product beschikt over bepaalde eigenschappen, terwijl dit niet het geval is. Desalniettemin zal niet iedere onjuiste mededeling leiden tot dwaling. Dit geldt bijvoorbeeld voor aanprijzingen in algemene bewoordingen. Dit zijn gangbare verkoopleuzen zoals ‘’de mooiste auto’’ en ‘’het beste product’’. Daarnaast kunnen mededelingen in de vorm van een eigen mening niet zonder meer een dwalingactie rechtvaardigen. De grens tussen mededelingen waarop door de dwalende wel en waarop niet vertrouwd mag worden is moeilijk te trekken. Het uitgangspunt is echter dat in beginsel mag worden afgegaan op mededelingen die de wederpartij doet. Dat geldt in het bijzonder indien de wederpartij met feitelijke en controleerbare informatie komt. Hierbij is niet van belang of de wederpartij de mededeling te goeder of te kwader trouw heeft verstrekt. Een probleem dat in de praktijk vaak een rol speelt, is dat de wederpartij bepaalde mededelingen wel heeft gedaan maar dat de dwalende partij dat niet of slechts met grote moeite kan bewijzen. Het is dus verstandig om belangrijke mededelingen van de wederpartij schriftelijk te bevestigen.

Het tweede geval van dwaling is aan de orde wanneer de wederpartij heeft gezwegen, terwijl zij moest spreken. De wederpartij heeft dan een mededelingsplicht. In de praktijk mag niet te snel worden aangenomen dat die plicht bestaat. In het algemeen geldt dat daarvoor aan een viertal vereisten moet zijn voldaan. In de eerste plaats moet de wederpartij van bepaalde feiten op de hoogte zijn.  Daarnaast weet of moet zij weten dat het punt waarover wordt gedwaald van doorslaggevend belang is voor de ander. Bovendien moet zij er rekening mee houden dat de ander dwaalt. Ten slotte moet zij gehouden zijn de dwalende in te lichten. Hiermee wordt bedoelt dat zij de wederpartij uit haar droom moet helpen. Dit zal niet telkens het geval zijn. Zo is een wederpartij in beginsel niet gehouden aan te geven dat hetzelfde product of dienst elders goedkoper is.

Het derde geval van dwaling is de situatie waarbij beide partijen uitgaan van dezelfde onjuiste veronderstelling en dus wederzijds dwalen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarbij zowel de kunstverkoper als de kunstkoper ervan uitgaan dat het kunstobject een origineel werk is, terwijl dit achteraf niet het geval blijkt te zijn. 

Derde hobbel: voor eigen rekening dwalen

Het enkel aantonen van een dwalingssituatie is echter niet genoeg om een succesvol beroep op dwaling te doen. De wet bepaalt namelijk dat bepaalde omstandigheden hieraan in de weg staan. Zo kan er niet succesvol een beroep worden gedaan op dwaling indien deze berust op een uitsluitend toekomstige omstandigheid. Daarnaast kan worden geoordeeld dat in verband met de aard van de overeenkomst, de verkeersopvattingen of de omstandigheden van het geval evenmin een beroep kan worden gedaan op dwaling. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien er een bepaalde mate van onzekerheid inherent aan de orde is bij de overeenkomst. In al deze gevallen komt de dwaling voor rekening van degene die dwaalt.

In de praktijk is een van de grootste hobbels van een succesvol beroep op dwaling een schending van de zogenoemde onderzoeksplicht. Hiermee wordt bedoelt dat degene die dwaalt, gehouden was zelfstandig onderzoek naar de situatie te verrichten. Een onderzoeksplicht wordt in het algemeen snel aangenomen voor feiten die eenvoudig te ontdekken zijn. Feitelijk gaat het erom of de dwalende wel voldoende heeft opgelet en niet al te naïef is geweest. Interessant is dat er een wisselwerking bestaat tussen de mededelingsplicht van de wederpartij en de onderzoeksplicht van de dwalende. Er kan namelijk geen sprake zijn van een tegelijkertijd schenden van een onderzoeksplicht en een mededelingsplicht.

De vraag welke van de plichten geldt, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval. Hiervoor bestaan enkele handreikingen vanuit de rechtspraak. Zo geldt als uitgangspunt dat men mag afgaan op de juistheid van door de wederpartij gedane mededelingen. Hierbij komt dat een wederpartij die zijn mededelingsplicht schendt, zich in het algemeen niet kan beroepen op het ontbreken van onderzoek bij de dwalende. Eveneens is het relevant of een van beide partijen deskundig is op het terrein waarop de overeenkomst wordt gesloten. Van een deskundige dwalende partij zal namelijk eerder worden geoordeeld dat zij haar onderzoeksplicht heeft geschonden en geen beroep op dwaling kan doen. Aan de andere kant zal op een deskundige wederpartij eerder een mededelingsplicht rusten, te meer indien de dwalende ondeskundig is.

Conclusie

Uit dit blog volgt dat een beroep op dwaling niet zonder meer succesvol is. Niet zelden zal namelijk worden geconcludeerd dat als er sprake was van dwaling, dit voor eigen rekening dient te blijven. Het is dan ook zaak om te toetsen of uw situatie door de poorten van het dwalingsleerstuk kan gaan. Mocht u vragen hebben over het onderwerp van dit blog, dan kunt u uiteraard altijd contact opnemen met een van onze advocaten

Dit blogbericht is geplaatst op 20 november 2019