In een onderneming (in dit geval een BV of een NV) kunnen er geschillen ontstaan tussen aandeelhouders onderling, maar ook tussen een of meerdere aandeelhouders en een of meerdere bestuurders. De wet voorziet in een tweetal procedures om dergelijke geschillen op te lossen. Deze procedures kunnen van groot belang zijn met het oog op de continuering van een onderneming. Bij een geschil tussen aandeelhouders kan de zogeheten ‘geschillenregeling’ uitkomst bieden en bij een geschil tussen een of meerdere aandeelhouders en een of meerdere bestuurders kan de enquêteprocedure een oplossing bieden. In dit blog staan deze twee procedures centraal.

De geschillenregeling

Zoals gezegd tracht de geschillenregeling te voorzien in een oplossing bij een geschil tussen aandeelhouders. Een dergelijk geschil kan het belang van de vennootschap namelijk ernstig schaden. Zeker als de aandelen 50/50 zijn verdeeld, dient te worden voorkomen dat er door problemen tussen de aandeelhouders geen besluiten in de aandeelhoudersvergadering meer kunnen worden genomen.

De geschillenregeling is van toepassing op de BV en de besloten NV. De gedachte hierachter is dat het om een onderneming moet gaan waarbij een aandeelhouder niet zomaar zijn aandelen kan verkopen. Bij een beursgenoteerde vennootschap spreekt het voor zich dat de aandelen van deze onderneming vrij verhandelbaar zijn, maar voor de BV en de besloten NV is dit niet altijd het geval. Dergelijke ondernemingen zijn naar hun aard er niet op gericht aandelen ‘zomaar’ te verkopen. Daarbij wordt de verkoop van aandelen van beide ondernemingen wettelijk beperkt door een blokkeringsregeling. Dit wil zeggen dat de aandeelhouder die zijn aandelen wil verkopen, zijn aandelen eerst aan moet bieden aan de medeaandeelhouders. Tijdens een geschil tussen aandeelhouders kunnen deze aandeelhouders vaak lastig tot overeenstemming komen over de verkoop van de aandelen aan medeaandeelhouders.

Procedure
De procedure dient aanhangig gemaakt te worden bij de rechtbank, waarna in hoger beroep bij de Ondernemingskamer te Amsterdam verder kan worden geprocedeerd. De rechtbank kan zich enkel ontvankelijk verklaren als de aandeelhouder die het verzoek indient ten minste 1/3 van de aandelen in zijn bezit heeft. Wanneer de rechtbank zich ontvankelijk heeft verklaard, kan de aandeelhouder die het verzoek indient het volgende vorderen: (1) vordering tot uitstoting, (2) vordering tot uittreding, (3) vordering tot overgang stemrecht en (4) mogelijkheid tot flitsuittreding.

Uitstoting van een aandeelhouder
Ten eerste is er de vordering tot uitstoting (art. 2:336 BW). Hierbij kan de ene aandeelhouder worden gedwongen om aandelen aan een andere aandeelhouder over te dragen. Dit kan niet zomaar; er moet aldus allereerst een geschil tussen de aandeelhouders zijn. Vereist is dat de aandeelhouder “die je weg wilt krijgen” het belang van de vennootschap schaadt. Dit is het geval wanneer een aandeelhouder de besluitvorming binnen de vennootschap blokkeert met zijn aandeel. Denk hierbij aan een 50% aandeelhouder die continu tegen besluiten stemt die het bestendige succes van de vennootschap garanderen, zoals een afstoting van een verliesgevend bedrijfsonderdeel. De prijs van de aandelen van de uitgestoten aandeelhouder wordt bepaald door een of meerdere deskundigen.

Gedwongen uittreding van een aandeelhouder
Ten tweede bestaat er de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot uittreding (art. 2:343 BW). Deze vordering kan worden ingesteld door een aandeelhouder die zelf uit wilt treden op grond dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Hierbij is geen zwaarwegend belang nodig. Een veelvoorkomend voorbeeld is een hoogoplopende ruzie tussen aandeelhouders. De aandeelhouder vordert dan uittreding en trekt zichzelf terug uit de onderneming. De andere aandeelhouder neemt de aandelen over voor de normale marktprijs, welke wordt vastgesteld door een rechter.

Andere varianten
Ten derde is er de vordering tot overgang van het stemrecht (art. 2:342 BW). Dit is een verfijning van de eerste variant. De aandeelhouder behoudt zijn aandelen en dus zijn winstaandeel, maar kan de vennootschap niet langer frustreren met zijn stemrecht. Ook deze vordering wordt enkel toegewezen wanneer de aandeelhouder die zijn stemrecht verliest het belang van de vennootschap schaadt.

Tot slot is er nog de flitsuittreding (art. 2:343c BW). Dit is een uittreding waarbij beide aandeelhouders het eens zijn met elkaar wat betreft de uittreding, maar ze zijn het niet eens wat betreft de te betalen prijs van de aandelen. Men zou kunnen spreken van een wederzijds goedvinden van de aandeelhouders om de aandelen over te dragen. De aandeelhouder die binnen de onderneming blijft, zal wederom de normale marktprijs moeten betalen, welke wordt vastgesteld door de rechter.

De enquêteprocedure

De enquêteprocedure is een procedure waarin een geschil tussen een aandeelhouder en een bestuurslid – dan wel een commissaris – kan worden opgelost. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om een aandeelhouder die meer dan 50% van de aandelen houdt, aangezien deze aandeelhouder conform zijn bevoegdheden als aandeelhouder bevoegd is om het bestuur te ontslaan. Afhankelijk van het kapitaal van de onderneming zijn een of meerdere aandeelhouders die 1/10, dan wel 1/100, deel van de aandelen houden bevoegd om een enquêteverzoek in te dienen bij de Ondernemingskamer (art. 2:346 BW).

Het doel van de enquêteprocedure is vast te stellen wie verantwoordelijk is voor het “wanbeleid” binnen de onderneming. Mocht wanbeleid worden vastgesteld, en de Ondernemingskamer een voorziening hebben getroffen, dan kunnen in een aparte procedure bij de rechtbank de bestuurders aansprakelijk gesteld worden.

Fase 1
Grofweg is de enquêteprocedure in twee fases te verdelen. Ten eerste is er de onderzoeksfase en ten tweede is er de voorzieningenfase. Alvorens fase 1 begint, dient de aandeelhouder zijn bezwaren kenbaar te maken aan de bestuurder. Vervolgens start fase 1 met een enquêteverzoek van de aandeelhouder bij de Ondernemingskamer te Amsterdam. In dit verzoekschrift moet de verzoekende aandeelhouder gegronde redenen voor het wanbeleid binnen de onderneming kenbaar maken (art. 2:350 BW). De Ondernemingskamer geeft vervolgens een onderzoeksopdracht aan een onderzoeker. Deze onderzoeker heeft vergaande bevoegdheden om binnen de onderneming op zoek te gaan naar de oorzaken voor het wanbeleid. Met vergaande bevoegdheden kan onder meer gedacht worden aan het inzien van vertrouwelijke bedrijfsdocumenten. Hier maakt de onderzoeker een onderzoeksverslag van. Aan de hand van dit onderzoeksverslag moet duidelijk worden of er sprake is van wanbeleid.

Fase 2
Het onderzoeksverslag lijkt het sluitstuk van de gehele procedure, maar dit is allerminst waar. Wordt het wanbeleid namelijk vastgesteld, dan kan de verzoekende aandeelhouder de tweede fase opstarten: de voorzieningenfase (art. 2:355 BW). De mogelijke voorzieningen betreffen onder andere: vernietiging van een besluit van het bestuur, het ontslag van het bestuur en de tijdelijke aanstelling van een bestuurder. Mocht er bijvoorbeeld een nieuwe bestuurder aan worden gesteld, dan kan deze bestuurder de zittende bestuursleden in een aparte procedure persoonlijk aansprakelijk stellen.

Tot slot zou ik hieraan willen toevoegen dat de vaststelling van wanbeleid niet eenvoudig is; de Ondernemingskamer hanteert hiervoor een hoge maatstaf. Deze maatstaf ziet op strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Deze maatstaf wordt bijvoorbeeld behaald wanneer het bestuur besluit een zeer winstgevend bedrijfsonderdeel onder de marktwaarde te verkopen.

Wilt u meer weten over de geschillenregeling of de enquêteprocedure? Neem gerust contact op met Peter Kostons.

Dit blogbericht is geplaatst op 13 november 2020