English? Here you go.

Vooraf

Op 20 februari 2020 hebben John Wolfs en Lotte Oostdam (laatstgenoemde is de auteur van dit blogbericht) een blogbericht gepubliceerd over een uitspraak van de Hoge Raad aangaande tijdige terpostbezorging van een uitnodiging tot betaling (UTB). John Wolfs en Lotte Oostdam hebben de in Polen gevestigde belanghebbende bijgestaan in de cassatieprocedure. Ook daarna zijn zij betrokken geweest als advocaat.

Dit blogbericht vormt een vervolg op voornoemd blogbericht.

In het kort

Voor een uitgebreide achtergrond van de kwestie verwijzen wij naar het eerdere blogbericht. In het kort stond er in de zaak één vraag centraal: was de UTB tijdig ter post bezorgd door de Douane?

Wanneer is een UTB tijdig ter post bezorgd?

De UTB was gedagtekend op 19 juni 2014. Eén dag later zou de verjaringstermijn van drie jaar verstrijken. De UTB zou – aldus de Douane – dus tijdig verzonden zijn. Wij spreken van verzenden, omdat de verzendtheorie van toepassing is wanneer het gaat om een UTB. Indien er sprake is van tijdige verzending, waaronder wordt verstaan tijdige terpostbezorging van de UTB, is de UTB binnen de verjaringstermijn opgelegd.

De Douanekamer van het Amsterdamse Hof oordeelde in de eerste uitspraak dat de Douane voldoende bewezen zou hebben dat er sprake was van een tijdige ter post bezorging. Het Hof oordeelde namelijk dat het geen twijfels had om aan de verklaring van de Inspecteur te twijfelen, inhoudende dat brieven altijd op de dag der dagtekening worden verzonden, soms zelfs ervoor, maar nooit daarna. Dit zou ondersteund worden door een algemene werkinstructie waarin staat vermeld hoe post aangeboden dient te worden aan PostNL. 

Zoals in ons vorige blogbericht geschreven, heeft de Hoge Raad dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk bevonden. De Hoge Raad oordeelde in deze zaak – gelijk aan vaste jurisprudentie – dat sprake is van tijdige terpostbezorging als het poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrjif, in dit geval PostNL.

Uit de verklaring van de Inspecteur en de algemene werkinstructie kon aldus de Hoge Raad niet zonder meer afgeleid worden dat poststukken altijd op de dag van dagtekening, soms ervoor, maar nooit daarna, worden aangeboden aan PostNL.

Dat was dan ook de reden dat de Hoge Raad de uitspraak van de Douanekamer vernietigd heeft. De Hoge Raad verwees de zaak terug naar diezelfde Douanekamer. Dat kon ook niet anders, omdat Nederland maar één Douanekamer heeft.

De Douane moet de tijdige ter post bezorging bewijzen

Wij hebben namens belanghebbende altijd betwist dat de UTB tijdig ter post is bezorgd. Zo  was er geen sprake van een aangetekende brief en ontving belanghebbende de UTB pas op 9 juli 2014. Vanwege de gemotiveerde betwisting én het ontbreken van een aangetekende brief alsmede het ontbreken van een deugdelijk registratiesysteem, was het aan de Douane om te bewijzen dat de UTB tijdig ter post was bezorgd.

De Douane heeft opnieuw proberen te bewijzen dat de UTB tijdig ter post is bezorgd. Zo heeft de Douane nog een aantal werkinstructies overgelegd. Daaruit bleek niet meer dan hoe de uitgaande post moest worden aangeboden en hoe de post – per het aantal stukken – ingeboekt moest worden. Ook heeft de Douane een ambtsedige verklaring van een directeur die kon verklaren dat er altijd conform de werkinstructies werd gewerkt.

Wij hebben daarop – heel kort samengevat – aangegeven dat deze algemene stukken nog altijd niet bewijzen dat de UTB in kwestie tijdig ter post is bezorgd. De Douanekamer van het Amsterdamse Hof moest opnieuw een oordeel vellen over het bewijs. Wat oordeelde de Douanekamer?

Uitspraak Hof Amsterdam

Belanghebbende kreeg gelijk. De Douane heeft niet bewezen dat de UTB tijdig ter post is bezorgd. Wij citeren de relevante bepalingen:

“Bewijs van terpostbezorging bij een handmatig verzendproces, waarbij brieven in een postzak (of postbak) van een postbezorgingsdienst (in casu PostNL) worden gedeponeerd, kan worden geleverd door middel van een verzendregistratie van uitgaande post. Een postregistratiesysteem biedt pas voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat brieven daadwerkelijk op die wijze aan PostNL zijn aangeboden, als in het systeem voor iedere brief – na deponering in de postzak – wordt geregistreerd dat en wanneer de brief in de postzak is gedaan en uit het systeem voorts kan worden afgeleid dat en wanneer de postzak ter verzending aan PostNL is aangeboden (vgl. Centrale Raad van Beroep 28 april 2020, nrs. 17/5331 PW, 17/5332PW en 17/533PW, ECLI:NL:CRVB:2020:1045).

De inspecteur heeft bij zijn conclusie na verwijzing een drietal werkinstructies (“Uitsplitsen uitgaande post”, “Inboeken post in SAP-SRM” en “Aanbieden uitgaande post”) overgelegd om de door hem gehanteerde procedure voor de verzending van interne post inzichtelijk te maken. Tevens heeft hij een ambtsedige verklaring van de directeur van de Shared Service Organisatie Centrum voor Facilitaire Dienstverlening overgelegd, waarin deze verklaart dat “op alle locaties uniform en conform deze werkinstructies [wordt] gewerkt”. Uit deze werkinstructies blijkt dat geen postregistratiesysteem wordt bijgehouden waarin per brief wordt vastgelegd dat en wanneer deze in de postzak is gedaan (enkel het aantal verzonden poststukken wordt geregistreerd), noch wanneer de desbetreffende postzak aan PostNL is aangeboden. De door de inspecteur gevoerde postregistratie biedt daarmee onvoldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat het onderwerpelijke aanslagbiljet daadwerkelijk op de datum van dagtekening aan PostNL is aangeboden.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat het aanslagbiljet tijdig, dat wil zeggen binnen drie jaren na het ontstaan van de douaneschuld, ter post is bezorgd. Dit brengt met zich dat het er voor moet worden gehouden dat de op het aanslagbiljet vermelde douaneschuld door verjaring teniet is gegaan (vgl. HvJ 23 februari 2006, C-201/04, Molenbergnatie NV, ECLI:EU:C:2006:136, r.o. 39 t/m 42).”

Met andere woorden: het systeem van de Douane voldoet niet als bewijs. Aangezien niet aan de bewijslast is voldaan, moet er ervoor worden gehouden dat de UTB in kwestie door verjaring teniet is gegaan. Mogelijk dat door deze uitspraak het beleid van de Douane zal wijzigen.

Zodra de uitspraak geanonimiseerd is verschenen op de rechtspraak.nl, zullen wij u van een link voorzien.

Een Douanekamer die de tweede keer anders oordeelt: het kán (ook niet anders)

De uitspraak van de Douanekamer is gewezen door drie raadsheren. Eén van de raadsheren is ook betrokken geweest bij het wijzen van de eerdere vernietigde uitspraak. De betrokken raadsheer heeft na het arrest van de Hoge Raad dus spreekwoordelijk zijn eerdere oordeel moeten herzien. Ook over dit onderwerp hebben wij reeds eerder een blogbericht geschreven (hoewel dit een andere zaak betrof). Deze zaak laat zien dat het opnieuw beoordelen van het bewijs – in de ‘tweede ronde’ was er niet echt heel veel meer bewijs overgelegd – tot een andere conclusie kan leiden.

Maar in deze kwestie was de uitkomst wat ons betreft zó overduidelijk, dat het wat ons betreft ook niet anders kon. Gelukkig dacht het Hof daar – alsnog – hetzelfde over. Het is alleen jammer dat daarvoor eerst een procedure bij de Hoge Raad gevolgd moet worden.

Dit blogbericht is geplaatst op 28 januari 2021

Auteur: Lotte Oostdam