Vrij recent zond ik een concept van de door mij opgestelde memorie van antwoord aan een cliënt. De reactie van mijn cliënt was prettig: “De relevante feiten staan op papier, je hebt zorgvuldig alles uitgelegd en je hebt in duidelijke bewoordingen opgeschreven wat er niet klopt aan het verhaal van de wederpartij. Ik lees mijn verhaal zoals ik dat aan jou heb verteld terug in de stukken, dat is fijn.

Het concept van de memorie van antwoord telde een omvang van 48 pagina’s. Op zichzelf was dat ook niet heel vreemd. De memorie van grieven van de eisende partij kende namelijk een omvang van (maar liefst) 76 pagina’s exclusief producties en de (weliswaar herhalende) stellingen van de eisende partij moesten toch zorgvuldig worden betwist, temeer nu dat naar mijn mening in eerste aanleg (bij de rechtbank) niet voldoende was gedaan (ik nam het dossier over van een ander kantoor). Een omvang van 48 pagina’s viel dus nog wel mee.

Vanaf 1 april aanstaande is het in beginsel niet meer mogelijk een processtuk met een dergelijke omvang bij het gerechtshof in te dienen. Vanaf 1 april aanstaande lopen advocaten namelijk tegen een limiet aan. Opmerking verdient dat deze limitering (vooralsnog) enkel geldt voor processtukken in hoger beroep. Processtukken in civiele dagvaardingszaken en verzoekschriftprocedures mogen vanaf dan in beginsel niet langer zijn dan 15 of 25 pagina’s (exclusief producties). Een memorie van eis, memorie van antwoord en een beroep- of verweerschrift mogen 25 pagina’s lang zijn. Ik merk op dat deze processtukken de belangrijkste processtukken zijn. De procedure in hoger beroep wordt namelijk beheerst door de tweeconclusieregel:  alle stellingen moeten in beginsel worden aangevoerd in de memorie van grieven en memorie van antwoord. Overige processtukken mogen slechts 15 pagina’s omvatten.

De limieten zouden worden ingevoerd om een einde te maken aan de vastgestelde trend van steeds dikkere procesdossiers. De echte reden lijkt echter anders te zijn, namelijk de onderbezetting bij gerechtshoven. In november 2012 is er al eens door de Rechtbank Arnhem geëxperimenteerd met een dergelijk limiet. De kritiek was niet mals. En toch wordt nu bij alle gerechtshoven een limiet ingevoerd. Er kan vooraf weliswaar gevraagd worden om toestemming als iemand meer pagina’s nodig heeft, maar soms is dat vooraf maar moeilijk in te schatten. Ook moet het dan gaan om grote feitelijke or juridische complexiteit. Als die toestemming, te beoordelen door de rolraadsheer, vooraf niet gegeven wordt, geldt in het geval van een memorie een maximum van 25 pagina’s.

Ik vraag mij hardop af of deze limitering wel voldoende doordacht is. Er is al vaker aangegeven dat er ook serieuze risico’s kleven aan een dergelijke limitering. Men vraagt zich af of voldoende gewaarborgd is dat een partij op basis van artikel 6 EVRM zijn zaak in volle omvang aan de rechter kan voorleggen. Ook wordt aangegeven dat een processtuk een functie heeft voor de betrokken partij. Als daarin niet het hele verhaal kan worden verteld, zal de verliezende partij het gevoel kunnen hebben dat het verlies daaraan te wijten is. In mijn voorbeeld had ik in slechts 25 pagina’s niet het gehele verhaal kunnen doen. Waar misschien niet ieder feit juridisch relevant was, was het wel vermelden van die feiten wel zeer relevant voor (het gevoel van) mijn cliënt. Daar moet een balans in worden gevonden.

Soms zijn processtukken ook té lang en had een advocaat het korter en bondiger kunnen verwoorden. Dat klopt. Zo ook in mijn zaak. In de memorie van eis stonden ontzettend veel herhalingen. Maar dat betekent niet automatisch dat die zaak in 25 pagina’s voorgelegd had kunnen worden.

De kernvraag is of de trend van de alsmaar dikkere procesdossiers een algemene regel als deze rechtvaardigt diverse risico’s dan maar voor lief moeten worden genomen? Dat betwijfel ik. De tijd zal het uitwijzen. De kritiek op deze in te voeren regel is in ieder geval opnieuw niet mals.

Auteur: Lotte Oostdam

Dit blogbericht is geplaatst op 11 februari 2021