Partijen of een der partijen wil wel eens van (de gevolgen van) een gesloten commerciële overeenkomst af. Onder omstandigheden is het mogelijk om de gesloten overeenkomst te vernietigen. Zo kan een overeenkomst bijvoorbeeld vernietigd worden als er sprake is van een wilsgebrek zoals bedrog of bedreiging. Vernietiging heeft terugwerkende kracht, hetgeen heel kort samengevat betekent dat de overeenkomst juridisch gezien nooit heeft bestaan. Onder omstandigheden is het ook mogelijk de gesloten overeenkomst te ontbinden.

De wet

Ontbinding van een overeenkomst is geregeld in artikel 6:265 BW: “Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.” Het eerste vereiste is dus dat er sprake moet zijn van een tekortkoming in de nakoming van een partij, welke tekortkoming niet toerekenbaar hoeft te zijn. Op de verdere eisen van ontbinding en de vraag welke partij het bewijs daarvan draagt wordt in dit blogbericht niet ingegaan.

Als een overeenkomst wordt ontbonden, komt er een einde aan de overeenkomst. Ontbinding heeft in tegenstelling tot vernietiging géén terugwerkende kracht. Dit betekent niet meer dan dat de overeenkomst is blijven bestaan, maar dat daar een einde aan is gekomen. In geval van ontbinding ontstaan op grond van de wet zogenaamde ongedaanmakingsverbintenissen. U kunt zich het volgende daarbij voorstellen. Als er sprake is van een koopovereenkomst met betrekking tot een auto op grond waarvan de verkoper de auto geleverd heeft aan de koper en de koper een koopprijs heeft betaald van € 5.000,-- aan de verkoper, betekent dit dat de koper de auto terug moet leveren aan de verkoper en dat de verkoper de ontvangen koopprijs terug moet betalen. Het lijkt heel simpel, maar in complexe situaties kan het ontstaan van ongedaanmakingsverbintenissen tot nog complexere situaties leiden.

Uit artikel 6:265 BW blijkt dat een overeenkomst geheel of gedeeltelijk kan worden ontbonden. Een gedeeltelijke ontbinding heeft veelal andere rechtsgevolgen dan een gehele ontbinding van de overeenkomst. In de wet is geregeld dat een gedeeltelijke ontbinding een evenredige vermindering inhoudt van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid (artikel 6:270 BW). Prijsvermindering ligt meestal ten grondslag aan een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. U kunt aan het volgende in simpele bewoordingen weergegeven voorbeeld denken. De verkoper verkoopt en levert een bedrijfspand met een vloeroppervlakte van 10.000 m2 aan de koper. De koopprijs van € 100.000,-- is gebaseerd op de vloeroppervlakte van 10.000 m2. Nadat het bedrijfspand is geleverd en de koopprijs is betaald, blijkt dat de vloeroppervlakte slechts 8.000 m2 bedraagt. De koper zou er voor kunnen kiezen de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden om op die manier het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Of een gedeeltelijke ontbinding mogelijk is hangt af van de precieze omstandigheden van het geval, maar ook van de vraag wat er in de overeenkomst is geregeld ten aanzien van al dan niet gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst.   

Gedeeltelijke ontbinding

In een overeenkomst wordt vaak opgenomen dat partijen geen beroep kunnen doen op ontbinding van de overeenkomst. Een dergelijke bepaling is in beginsel toegestaan, want de bepalingen in de wet zijn van regelend recht. Dat betekent dat je zelf regels mag opstellen ten aanzien van in dit geval de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst, uiteraard uitzonderingen daargelaten. Wanneer een dergelijke bepaling is opgenomen staat de bedoeling van partijen vast: ontbinding van de overeenkomst is niet toegestaan. Maar.. mag de overeenkomst dan wel gedeeltelijk ontbonden worden? In Nederland heerst er geen heersende leer op dit punt, hetgeen betekent dat er sprake is van onzekerheid. Er wordt veelal betoogd dat als in de overeenkomst een bepaling staat opgenomen dat partijen geen beroep kunnen mogen doen op ontbinding van de overeenkomst, partijen wel een beroep mogen doen op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, onder meer omdat de wet duidelijk aangeeft dat er twee mogelijkheden van ontbinding zijn en dat als een partij beide mogelijkheden wil uitsluiten, dit ook uitdrukkelijk moet gebeuren. Ook wordt betoogd dat de gevolgen van een gedeeltelijke ontbinding wezenlijk anders zijn dan van een gehele ontbinding van de overeenkomst en dat reeds daarom gedeeltelijke ontbinding uitdrukkelijk uitgesloten moet worden (als men dat wenst).

Kortom: als u wilt voorkomen dat de andere partij een beroep kan doen op al dan niet gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, dan is het raadzaam om in de overeenkomst op te nemen dat partijen geen beroep mogen doen op gehele én gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. Immers, wanneer er enkel een bepaling staat opgenomen die luidt dat partijen geen beroep mogen doen op ontbinding, valt niet uit te sluiten dat alsnog een beroep op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wèl wordt gehonoreerd.

Heeft u vragen of wilt u meer weten? Dan kunt u contact opnemen met de auteur van dit blogbericht Lotte Oostdam.

 

Dit blogbericht is geplaatst op 16 december 2019