Alles wordt duurder. De Russisch-Oekraïense oorlog en (de nasleep van) de coronapandemie hebben hier beide aan bijgedragen, maar de hevige inflatie van dit moment is wellicht de grootste boosdoener. Onder andere leveranciers van goederen (B2B) zien zich hierdoor geconfronteerd met forse verhoging van de productiekosten die wel kunnen oplopen tot 30 procent! Maar het vervelende zit hem in het feit dat veel leveranciers zogenaamde duurovereenkomsten aangaan waarin vaste bedragen zijn afgesproken. Als een leverancier in 2020 met zijn afnemer een duurovereenkomst sluit voor vijf jaar, en de inflatie zorgt voor een prijsstijging van 30%, dan zal de leverancier met deze kosten worden opgescheept totdat de termijn voorbij is. De in de duurovereenkomst opgenomen vaste prijsafspraak maakt het doorberekenen van de toegenomen (productie)kosten in beginsel onmogelijk.

Inflatie is er altijd al geweest en zal ook altijd blijven bestaan. In dit blog zal daarom worden besproken of een leverancier de mogelijkheid heeft om een duurovereenkomst te wijzigen c.q. de prijsstijging door te berekenen aan zijn afnemer op grond van “onvoorziene omstandigheden”.

De overeenkomst

Als startpunt zal de overeenkomst en de eventueel toepasselijke algemene voorwaarden bekeken dienen te worden. Bepaalde omstandigheden kunnen al (op voorhand) in de duurovereenkomst of de algemene voorwaarden (impliciet) verdisconteerd zijn. Deze omstandigheden. Zo kan de overeenkomst bijvoorbeeld bepalen dat eventuele natuurrampen niet afdoen aan de verplichting van een der contractspartijen om goederen te leveren. Deze omstandigheid kan echter niet als onvoorzien worden aangemerkt, want als de contractspartijen de mogelijkheid van het intreden van de omstandigheid in de overeenkomst hebben verdisconteerd, kan eerder van een voorziene omstandigheid worden gesproken. Het is daarom van belang om eerst naar de afspraken tussen partijen te kijken. Verder kan de overeenkomst een zogenaamde hardship-clausule bevatten. Dit is een bepaling die de mogelijkheid schept om een overeenkomst (na heronderhandelingen) te wijzigen indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Als dergelijke aanknopingspunten ontbreken zal moeten worden teruggevallen op de wet.

Onvoorziene omstandigheden in de wet

Het leerstuk van onvoorziene omstandigheden is geregeld in art. 6:258 BW. Dit artikel bepaalt dat de rechter een overeenkomst kan wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten. Vooropgesteld dient te worden dat aan deze criteria niet snel voldaan wordt. Dit heeft er onder andere mee te maken dat de rechter het vereiste van redelijkheid en billijkheid met terughoudendheid moet toetsen.

Art. 6:258 BW wordt in ieder geval toegepast in het geval dat sprake is van een ernstige verstoring in de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties bij wederkerige overeenkomsten, zodanig dat het evenwicht tussen prestatie en tegenprestatie geheel is verbroken. Ook deze toets is streng. In de praktijk wordt een dergelijk beroep vaak verworpen, vooral als het om duurovereenkomsten gaat. Zo kon een energieleverancier die een vaste prijs voor langere tijd had afgesproken, niet onder deze overeenkomst uitkomen toen de energieprijzen sterk stegen. Dat voor de leverancier een faillissement dreigde, maakte dat niet anders. Dit heeft te maken met de (stilzwijgend) in de duurovereenkomst verdisconteerde risicoverdeling. Juist omdat partijen voor een langere tijd afspraken maken, wordt het risico van prijsfluctuaties vaak geacht te zijn verdisconteerd in de overeenkomst. Als gevolg daarvan kan er in geval van bijvoorbeeld inflatie niet snel van ‘onvoorziene omstandigheden’ worden gesproken. Dit maakt dat het juist bij het aangaan van de duurovereenkomst van belang is om een clausule voor eventuele aanpassing van de prijzen op te nemen.

Conclusie

Voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden ex art. 6:258 BW dienen de omstandigheden van zodanige aard te zijn dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

De rechter dient echter heel terughoudend te zijn met deze toetsing. Voor een beroep op onvoorziene omstandigheden zal moeten worden aangetoond dat sprake is van een ernstige verstoring van de waardeverhouding.

Advies nodig?

Het is natuurlijk altijd mogelijk om met uw wederpartij in (her)onderhandelingen te treden. Wij assisteren u hier graag mee. Heeft u vragen over het leerstuk van onvoorziene omstandigheden of over het contractenrecht in het algemeen? Neem gerust contact op met een van onze advocaten.

 

Dit blogbericht is geplaatst op 5 augsutus 2022