Ondernemers met ouder personeel opgelet! Op 1 januari 2021 is de “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” in werking getreden. Onderdeel van deze wet is een tijdelijke vrijstelling van de RVU-heffing (regeling vervroegd uittreden).

U kunt afspraken maken met uw werknemer om eerder te stoppen met werken, zonder dat u een strafheffing moet betalen over de regelingen voor vervroegde uittreding. Hoe zat het ook alweer met de RVU-heffing? Wanneer is daarvan sprake? En wat is er met ingang van 1 januari 2021 veranderd? In dit blog het antwoord daarop.

Wat is een RVU en wanneer is daar sprake van?

RVU staat voor Regeling Vervroegde Uittreding, een fiscale strafheffing. Die is aan de orde als een werkgever een werknemer financieel helpt om eerder te stoppen met werken, of als dat (vaak zelfs onbedoeld) de uitkomst is van een overeengekomen vertrekregeling. Dit speelt met name bij oudere werknemers. De vertrekregeling ziet dan op het aanbieden van een overbruggingsuitkering tot de pensioendatum. Dit kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door een ontslagvergoeding, een wachtgeldregeling, maar ook een vrijstelling van werk met doorbetaling van loon. Vaak de uitkomst van een onderhandelingstraject tussen de werkgever en de werknemer over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, maar dikwijls ook vanuit de prijzenswaardige intentie om de werknemer die zwaar werk doet niet opgebrand aan zijn welverdiende ouderdomspensioen te laten beginnen. Maar met de vervelende consequentie van het dan moeten betalen van een strafheffing van 52% over de ontslagvergoeding.

Bijzonder wrang in de situatie van een uit financiële nood geboren bedrijfsreorganisatie waarbij het sociaal plan voorziet in een “vrijwilligers- en plaatsmakersregeling” waar vervolgens bijna alleen de oudere werknemers gebruik van maken die vlak voor hun pensioendatum staan.

Hoge Raad
Dit voorbeeld was aanleiding voor het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018. De Hoge Raad bracht een nuance aan en overwoog in zijn arrest dat “bepalend is of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum”. Hoofdcriterium is dus of al dan niet sprake is van een niet-leeftijd gerelateerd ontslag. Een ontslag is bijvoorbeeld niet-leeftijd gerelateerd wanneer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn oorzaak vindt in disfunctioneren of een verstoorde arbeidsverhouding.

Belastingdienst
De belastingdienst heeft vervolgens beleid gemaakt en een RVU-toets ontwikkeld. Volgens deze toets is een vertrekregeling wél een RVU wanneer blijkt dat (vereenvoudigd samengevat) het ontslag leeftijds-gerelateerd is, dus dat de regeling als uitgangspunt (doel) heeft om oudere werknemers eerder te laten stoppen met werken én de ontslagvergoeding samen met andere uitkeringen leidt tot een inkomen van 70% ten opzichte van het laatstverdiende loon. Maar let op, bij deze 70%-toets wordt ook rekening gehouden met een meestal te verkrijgen WW-uitkering. Ontvangt de werknemer een dergelijke ontslagvergoeding binnen 24 maanden vóór het bereiken van zijn pensioen- of AOW-leeftijd, dan is sprake van een RVU en betaalt de werkgever een strafheffing op de ontslagvergoeding van 52%.

Versoepeling RVU-heffing

Met ingang van 1 januari 2021 vindt er dus een versoepeling van de RVU-heffing plaats. Deze versoepeling is vooralsnog tijdelijk, tot en met 31 december 2025. Er is geen RVU-strafheffing meer verschuldigd als de vertrekregeling voorziet in:

  • een of meer uitkeringen in de periode van 36 maanden direct voorafgaand aan het bereiken van de AOW-leeftijd;
  • de uitkeringen in totaal niet hoger zijn dan een bedrag van € 1.767 vermenigvuldigd met de hele (naar boven afgeronde) maanden tussen de eerste uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd.

Vertrekregelingen zien echter merendeels op het betalen van een bedrag ineens. Dat kan ook in de versoepelde RVU-heffing, mits de totale vergoeding niet meer bedraagt dan (naar beneden afgerond) € 63.000,- bruto: 36 x € 1767,-

Dit wil niet zeggen dat het betalen van een hogere beëindigingsvergoeding dan € 63.000,- verboden is. Betaalt de werkgever bijvoorbeeld een vergoeding van € 75.000,- dan hoeft alleen over het meerdere een eindheffing te worden betaald. De eindheffing blijft dan beperkt tot € 6.240,-

Onderdeel van de “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” is verder een verruiming van de mogelijkheid tot belastingvrij verlofsparen om eerder te stoppen met werken of om tussentijds een sabbatical op te nemen. Ook wordt het mogelijk om maximaal 10% van de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen op te nemen als een bedrag ineens. Maar dit gedeelte van de wet treedt pas later in werking, naar verwachting in 2023.

Conclusie

Het is door de nieuwe “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” dus eenvoudiger geworden om een RVU-strafheffing te voorkomen bij de beëindiging van dienstverbanden van oudere werknemers. Vrijstelling van de RVU-heffing is mogelijk voor een ontslagvergoeding van maximaal € 63.000,- in een periode van 36 maanden.

Hebt u vragen over de RVU-strafheffing of over de uitdiensttreding van oudere werknemers? Neem gerust contact op met advocaat Milan Gaber.

Dit blogbericht is geplaatst op 11 maart 2021