Wanneer twee partijen een overeenkomst sluiten en één van de contractpartijen komt de gemaakte afspraken niet correct na, dan heeft de andere partij in bepaalde omstandigheden de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Daarbij geldt dat ontbinding pas mogelijk is als de partij die niet deugdelijk heeft gepresteerd in verzuim is.

Verzuim na ingebrekestelling

Indien voor de nakoming geen termijn is bepaald dient de partij die niet deugdelijk heeft gepresteerd eerst een laatste kans te krijgen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Daartoe dient de schuldeiser de schuldenaar een schriftelijke verklaring te sturen waarin de schuldeiser de schuldenaar mededeelt welke gebreken hij heeft geconstateerd. Ook dient de schuldeiser de schuldenaar een redelijke termijn te geven om alsnog correct te presteren (de "ingebrekestelling"; art. 6:82 lid 1 BW). Wanneer de schuldenaar niet aan de schriftelijke aanmaning voldoet is hij in verzuim en kan de schuldeiser de overeenkomst ontbinden.

Verzuim zonder ingebrekestelling

De wet geeft ook voorbeelden van gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt (art. 6:83 BW). Zo is het verzenden van een schriftelijke aanmaning niet nodig als uit een mededeling van de schuldenaar blijkt dat hij de overeenkomst niet zal nakomen. Omdat de wet geen limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling optreedt terwijl het wettelijke systeem wel praktisch hanteerbaar moet zijn, spelen de redelijkheid en billijkheid daarbij een belangrijke rol.

Arrest Hoge Raad van 11 oktober 2019 [ECLI:NL:HR:2019:1581]

In een recent arrest heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of het stellen van een fatale termijn een voorwaarde is om een overeenkomst voortvarend te kunnen ontbinden. Een hoofdaannemer had een overeenkomst van aanneming met een onderaannemer gesloten. Na een periode van discussie en correspondentie over het niet tijdig nakomen van zijn verplichtingen door de onderaannemer en over de kwaliteit van het verrichte werk, ontbond de hoofdaannemer de overeenkomst met de onderaannemer. Volgens de onderaannemer ging dat te snel: de aan hem gegeven termijn voor herstel was onredelijk kort waardoor hij door het uitblijven van een reactie (nog) niet in verzuim verkeerde. 

De Hoge Raad oordeelt genuanceerd: "Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het wat betreft de in art. 6:82 en 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim niet zozeer gaat om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen. Deze bepalingen beogen veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om in de gevallen dat partijen - zoals meestal - zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht."

Redelijke termijn in ingebrekestelling

Op de vraag hoe lang een "redelijke termijn" in de ingebrekestelling moet zijn, antwoordt de Hoge Raad dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Volgens de Hoge Raad "dient bij het oordeel over de redelijkheid van de lengte van de termijn die aan de schuldenaar voor nakoming wordt gegeven, de tijd te worden betrokken die de schuldenaar vóór de aanmaning heeft gehad om zich voor te bereiden. Daarbij geldt dat het de schuldenaar in de meeste gevallen niet vrijstaat om te wachten met de voorbereidende handelingen tot hij aangemaand wordt. Dit betekent dat termijnen die eerder zijn gesteld en het eerder door de schuldeiser sommeren van de schuldenaar, van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van de in een aanmaning gestelde termijn. Dat de schuldeiser voorafgaand aan de aanmaning termijnen heeft gesteld of de schuldenaar heeft gesommeerd, kan meebrengen dat de in de aanmaning gestelde termijn korter mag zijn dan wanneer de schuldenaar niet al eerder een termijn was gesteld of gesommeerd. Ook door de schuldenaar zelf gewekte verwachtingen ten aanzien van de termijn van nakoming wegen daarbij mee. De omstandigheden dat die eerdere termijnen geen fataal karakter hadden en dat de eerdere sommaties niet aan de vereisten van een ingebrekestelling voldeden, staan niet eraan in de weg dat zij kunnen leiden tot verkorting van de termijn die de schuldenaar bij een daaropvolgende aanmaning moet worden gegeven om na te komen, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar in verzuim komt."

Conclusie

Welke termijnstelling in de schriftelijke aanmaning redelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij mag de tijd die de schuldenaar vóór de aanmaning heeft gehad om zich voor te bereiden meewegen. Dit betekent dat eventuele termijnen die eerder zijn gesteld - ook als die termijnen geen fataal karakter hadden - en het eerder sommeren van de schuldenaar een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn in de ingebrekestelling. 

Verzuim zonder ingebrekestelling

Hierover oordeelt de Hoge Raad dat "het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen door hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. Wat in dat verband een redelijke termijn voor de uitlating van de schuldenaar is, hangt af van de omstandigheden. Daarbij kan mede een rol spelen of de gestelde termijn gebruikelijk is in de branche waarin partijen actief zijn."

Conclusie

De omstandigheden van het geval kunnen met zich brengen dat verzuim ook zonder ingebrekestelling intreedt, zoals wanneer de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke termijn zal nakomen. De eisen die aan de reactie van de schuldenaar mogen worden gesteld zijn afhankelijk van de omstandigheden. Daarbij is onder meer van belang hoe concreet de schuldeiser de te herstellen gebreken heeft aangeduid en hoe specifiek hij heeft aangedrongen op een mededeling van de schuldenaar. Bij de beoordeling of de schuldeiser uit de reactie van de schuldenaar heeft mogen afleiden dat de schuldenaar niet tijdig of niet behoorlijk zou nakomen, kunnen ook latere feiten en omstandigheden van belang zijn. 

Dit blogbericht is geplaatst op 5 november 2019

Nicole van der Maas