De casus

Een vervoerder verricht werkzaamheden voor een groothandel uit hoofde van een vervoersovereenkomst, waarvan ter bewijs vrachtbrieven zijn opgemaakt volgens de standaard van het Verdrag betreffende overeenkomst tot internationaal vervoer van zaken over de weg van 19 mei 1956 (CMR-verdrag).

De groothandel stelt vervolgens bij de rechter dat de vervoerder de vervoersovereenkomst niet correct heeft uitgevoerd, omdat de vervoerder onder meer de originele vrachtbrieven niet aan de groothandel heeft geretourneerd. De groothandel heeft deze CMR-vrachtbrieven nodig om bij de fiscus het teveel aan betaalde invoerrechten terug te vorderen. De groothandel stelt dat een vervoersopdracht pas afgewerkt is indien niet alleen alle goederen correct op de plaats van bestemming zijn afgeleverd, maar ook de opdrachtgever de originele en voor haar bestemde ingevulde, gestempelde en aangetekende CMR-vrachtbrief in haar bezit heeft. Kopie├źn voldoen hier niet aan, nu de originele vrachtbrieven vereist zijn om bij de fiscus het teveel aan betaalde invoerrechten terug te kunnen vorderen. Nu de vervoerder de originele CMR-brieven niet heeft overhandigd, is de groothandel van mening dat de vervoersopdracht nog niet goed en volledig is uitgevoerd en daarmee sprake is van schuldeisersverzuim aan de kant van de vervoerder. De groothandel is daarmee van mening dat zij de door de vervoerder overhandigde facturen niet te hoeven betalen.

De rechtbank

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, stelt voorop dat voor het ontstaan van schuldeisersverzuim op grond van art. 6:59 BW is vereist dat de schuldeiser tekort schiet ten aanzien van een eigen verbintenis jegens de schuldenaar, de tekortkoming aan de schuldeiser is toe te rekenen en de schuldenaar gebruik maakt van zijn opschortingsrecht.

Ten aanzien van de eerste voorwaarde voor opschorting in de onderhavige zaak is de vraag of de vervoerder een opeisbare verbintenis niet is nagekomen. In dit verband moet de vraag beantwoord worden of het aan de groothandel overhandigen van de betreffende vrachtbrieven deel uitmaakt van de vervoersovereenkomst en een ontbrekende vrachtbrief derhalve reden kan zijn voor de groothandel om haar betalingsverplichting op te schorten.

De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat de vrachtbrief een bescheid is dat dient tot bewijs van de vervoersovereenkomst en de voorwaarden die daarbij gelden. De afwezigheid, de onregelmatigheid of het verlies van de vrachtbrief tast noch het bestaan noch de geldigheid aan van de vervoersovereenkomst (art. 4 CMR) aan. Daarnaast kan een vrachtbrief van belang zijn bij het correct verwerken van de met de in- en uitvoer gemoeide fiscaliteiten door de afzender. Dat belang is echter niet van dien aard volgens de rechtbank dat het moet worden geacht een zelfstandig aspect te zijn van de verbintenis die het onderwerp vormt van de vervoersovereenkomst op grond waarvan de ten vervoer aangeboden goederen tijdig en in de staat waarin de vervoerder ze heeft ontvangen ter bestemming dienen te worden afgeleverd.

De vraag of een vrachtbrief onderdeel uitmaakt van de vervoersovereenkomst wordt dus negatief beantwoord. Aldus kan een ontbrekende vrachtbrief geen geldige reden zijn voor de groothandel om de voldoening van een factuur op te schorten en veroordeelt de groothandel dan ook tot betaling van de facturen van de vervoerder.

Advies nodig?

Wij staan u graag bij en/of geven u advies. U kunt zich wenden tot John Wolfs en Lotte Oostdam.