Het aangaan van een overeenkomst kan onder omstandigheden een persoonlijk financieel risico met zich meebrengen voor degene die de overeenkomst aangaat. Indien deze persoon daarnaast gehuwd is, kan dit risico zelfs uitslaan naar de gemeenschappelijke huishouding van de gehuwden. De Nederlandse wetgever heeft dit gevaar proberen in te perken door voor bepaalde overeenkomsten te verplichten dat de partner dient mee te tekenen. Een van deze overeenkomsten is de borgtochtovereenkomst waarbij A zich garant stelt voor voldoening van een schuld die B heeft ten opzichte van een derde. Onder omstandigheden kan deze verplichting echter worden omzeild. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de overeenkomst wordt aangegaan door een bestuurder van een NV of BV, mits het aangaan van de overeenkomst geschiedt ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van die onderneming. Recentelijk heeft de Hoge Raad geoordeeld over de toepassingswijze van deze uitzondering.

Casus

Een accountant heeft voor de uitoefening van zijn beroep een BV opgericht. Zijn doel is om met deze BV deel te nemen in samenwerkingsverbanden met andere accountants en zo nodig voor dit doel financieringsovereenkomsten aan te gaan. Vervolgens krijgt de accountant een kans om zich via zijn onderneming in te kopen in een maatschap van accountants. Voor de inkoopsom gaat hij een kredietovereenkomst aan met de bank. Onderdeel hiervan is dat hij zich persoonlijk borg stelt voor deze lening en een borgtochtovereenkomst tekent. Na een aantal jaren gaat het echter financieel minder rooskleur omdat de grootste klant van de accountant failliet wordt verklaard. Het gevolg is uiteindelijk dat ook de onderneming van de accountant failliet gaat. De bank eist vervolgens de gehele financiering op en spreekt bovendien de accountant persoonlijk aan op grond van de borgtochtovereenkomst. In dit stadium besluit de partner van de accountant om de borgtochtovereenkomst te vernietigen, nu zij niet heeft meegetekend. De bank daarentegen stelt zich op het standpunt dat in dit specifieke geval de uitzondering op de ondertekeningsverplichting van toepassing is.

De rechtbank en het hof

In een poging de aantasting van de borgtochtovereenkomst te voorkomen, stelt de bank een vordering in tegen de borg tot terugbetaling van de lening. De rechtbank wijst de vordering van de bank echter af. Ook het hof is de bank niet gezind en wijst de vordering af. Hierbij acht het hof van groot belang dat het aangaan van de borgtochtovereenkomst niet kan worden gezien als een overeenkomst ten behoeve van de normale bedrijfsvoering. Belangrijk is in dit kader dat het hof de normale bedrijfsvoering koppelt aan het beroep van accountant in het algemeen. Het hof merkt op dat een accountant zich normaliter bezighoudt met dienstverlening op het gebied van accountancy, belastingadvisering, consultancy en andere financiële dienstverleningen. Het aangaan van een borgtochtovereenkomst omdat de accountant zich met een lening wil inkopen in een maatstap, maakt geen onderdeel uit van het beroep van accountant, aldus het hof.

De Hoge Raad

De bank laat het er niet bij zitten en vraagt de Hoge Raad om een definitief oordeel. De raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat de uitzondering op het toestemmingsvereiste niet zonder meer van toepassing is en terughoudend dient te worden benaderd. De maatstaf voor de toepassing hiervan is of de achterliggende overeenkomst waarvoor de borg wordt gesteld, zelf behoort tot overeenkomsten waarvan het aangaan normaal is voor de bedrijfsvoering van een onderneming. Hierbij merkt de Hoge Raad op dat het hof onterecht een te strenge norm heeft gehanteerd in het nadeel van de bank.

Het gaat namelijk niet om de vraag of het aangaan van een overeenkomst waarvoor borg wordt gesteld behoort tot de normale uitvoering van het beroep van accountant in het algemeen. In plaats hiervan moet doorslaggevend zijn of het aangaan van de overeenkomst waarvoor borg wordt gesteld, in dit geval de kredietovereenkomst, behoorde tot de normale bedrijfsvoering van de specifieke onderneming van de accountant in kwestie. In deze casus was het primaire doel van de BV van de accountant het aangaan van samenwerkingsverbanden en hiervoor desnoods kredietovereenkomsten af te sluiten. Bezien vanuit dat licht, zou wel degelijk gesteld kunnen worden dat het aangaan van de kredietovereenkomst behoorde tot de normale bedrijfsvoering van deze specifieke BV. De Hoge Raad oordeelt dat, gezien dit laatste, het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzondering op het toestemmingsvereiste niet geldt voor de accountant.

Conclusie

Uit het bovenstaande blijkt dat het mogelijk is om in de zakelijke sfeer borgtochtovereenkomst aan te gaan, zonder dat de gebruikelijke toestemming van de echtelijke partner vereist is. Toepassing van deze uitzondering dient echter terughoudend te worden benaderd en zij kan niet in iedere situatie gebruikt worden.

Advies

Wij staan u graag bij en/of geven u graag advies. U kunt zich wenden tot Arsen Mukuchian.