In twee recente kortgedingzaken heeft de rechter geoordeeld over de vraag of de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid (artikel 6:258 BW) is op grond waarvan een partij niet langer zonder meer verplicht kan worden bepaalde prestaties te verrichten. Beide zaken gingen over overnamegeschillen waarin aanzienlijke financiële belangen een rol speelden.

Netherlands Commercial Court

De eerste zaak leidde tot een uitspraak van de Netherlands Commercial Court[1] (NCC).

Het betrof een geschil over een aandelentransactie met betrekking tot een springruiterbedrijf, gevestigd in New York waarin een in Nederland gevestigde investeerder een belang van 50% wilde verkrijgen. De primaire vraag was of er een overnameovereenkomst ter waarde van € 169 miljoen tot stand was gekomen. Zo niet, dan was de volgende vraag of de afgesproken boete (break-up fee) van € 30 miljoen, verschuldigd bij het niet-tekenen van de overeenkomst, moest worden verminderd of gewijzigd vanwege de huidige coronacrisis.

De kortgedingrechter van de NCC[2] beantwoorde beide vragen ontkennend en wees de boete van € 30 miljoen integraal toe. Volgens de rechter is de coronacrisis mogelijk een onvoorziene omstandigheid, maar niet van dien aard dat eiseres naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de fee-verplichting mag verwachten.
“De bedoeling van de fee was om partijen aan te sporen tot het aangaan van de transactie en om risico’s tussen hen te verdelen. De fee beperkt de exposure van partijen. Dat doel zou worden doorkruist, als de fee zou kunnen worden verminderd bij een waardedaling van de target-onderneming. Dat zou het namelijk makkelijker maken om in zo’n geval de transactie niet te doen. Als de situatie van de doelmaatschappij zo slecht is als gedaagde stelt, dan is betaling van de fee een snelle uitweg uit de verplichting tot betaling van de koopprijs van 169 miljoen euro en uit de risico’s die zijn verbonden aan het draaiend houden van de doelmaatschappij. Als de gevolgen van de coronacrisis blijken mee te vallen, lijkt de fee van 30 miljoen euro wellicht hoog, maar dat is wel wat partijen redelijk vonden toen zij afstand deden van hun recht om zich te beroepen op onredelijkheid van de fee.”

Rechtbank Amsterdam

De tweede kortgedingzaak[3] ging - kort gezegd - om de vraag of de Nederlandse investeringsmaatschappij Nordian op grond van onder meer onvoorziene omstandigheden mocht weigeren een overnameovereenkomst met een sieradenverkoper te tekenen ter waarde van (mogelijk uiteindelijk) € 125 miljoen. Partijen hadden al een zogeheten 'Signing Protocol' getekend, met daaraan vastgehecht een koopcontract in 'afgesproken vorm', een soort bindende intentieverklaring. Daarin gingen partijen akkoord met de dealvoorwaarden en stippelden ze een tijdspad uit waarin ze de laatste formaliteiten afwikkelden om de koop te kunnen voltooien. Vervolgens trok Nordian onverwacht aan de noodrem en weigerde de overnameovereenkomst te ondertekenen. Daarbij beriep Nordian zich onder meer op de gevolgen van corona, en de daarbij horende overheidsmaatregelen.

De rechter overweegt dat partijen hebben stilgestaan bij het bestaan van de coronavirus-besmetting, “immers er waren tienduizenden besmettingen en duizenden doden in China en aldaar bestond al een lockdown (bijna alle producten die de sieradenverkoper verkoopt, worden geproduceerd in China). Op 27 februari 2020 bestonden reeds honderden besmettingen in Italië en eerste besmettingen in Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitserland en Oostenrijk. Toch hebben partijen geen aanleiding gezien voor het opnemen van een Material Adverse Change clausule[4] in de overnameovereenkomst. Bovendien versoepelen de Europese landen waar Coronavirus-besmettingen bestaan hun beperkingen inmiddels weer.” De rechter oordeelt dat Nordian niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overnameovereenkomst niet ongewijzigd kan worden getekend wegens de coronacrisis en wijst de vordering toe dat Nordian de overeenkomst moet ondertekenen op straffe van een dwangsom.

Conclusie

Is de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid? Uit de besproken uitspraken blijkt dat het coronavirus en de consequenties van de maatregelen die in de strijd tegen corona zijn genomen niet zonder meer onvoorziene omstandigheden zijn die een wijziging van een overeenkomst rechtvaardigen. Telkens, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval (in voornoemde gevallen onder meer de inhoud van de overeenkomst, de verplichtingen in dat kader en de vraag of partijen rekening hebben gehouden/kunnen houden met de corona) zal een rechter de afweging maken of de coronacrisis voldoende redengevend is voor de wijziging van de overeenkomst.

Advies nodig?

Heeft u vragen over dit onderwerp of heeft u advies nodig? Neem gerust contact op met een van onze advocaten.

Dit blogbericht is geplaatst op 26 mei 2020


[1] Onderdeel van de Amsterdamse rechtbank en het Amsterdamse hof. De NCC behandelt zaken in het Engels en is gespecialiseerd in de oplossing van internationale zakelijke geschillen tussen internationaal actieve bedrijven.

[2] Rechtbank Amsterdam (NCC) 29 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2406.

[3] Vonnis in kortgeding van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2020, zaaknummer / rolnummer: C/13/682073 / KG ZA 20-306 CdK/MvG.

[4] Bepaling in een overeenkomst waarin een koper het recht krijgt om de transactie op bepaalde onderdelen te heronderhandelen indien zich - voordat de transactie definitief wordt – een fundamentele wijziging van omstandigheden voordoet.