Op 7 februari 2020 heeft de Hoge Raad een interessante uitspraak gewezen op het gebied van douane- en belastingrecht. Deze uitspraak kunt u hier vinden.

Wat speelde er?

Belanghebbende, een onderneming gevestigd in Polen, heeft op 9 juli 2014 een uitnodiging tot betaling (hierna: “een UTB”) van de Belastingdienst ontvangen tot betaling van invoerrechten en antidumpingrechten.

De douaneaangiften die ten grondslag lagen aan deze UTB zijn op 20 juni 2011 gedaan en zijn op deze datum aanvaard. De verjaringstermijn voor het uitbrengen van een uitnodiging tot betaling is drie jaar. Dit betekent dat een UTB uiterlijk op 20 juni 2014 zou kunnen worden verzonden. Wij spreken van verzenden, omdat wanneer het gaat om een UTB de verzendtheorie van toepassing is. Dit betekent dat wanneer de UTB tijdig is verzonden, de vordering van de Belastingdienst niet verjaart. In het civiele recht ligt dat anders. In het civiele recht is in beginsel de ontvangsttheorie leidend (artikel 3:37 lid 3 BW).

De UTB was gedagtekend op 19 juni 2014. Een aangetekende verzending heeft niet plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen de UTB. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Belanghebbende is in beroep gegaan bij de rechtbank. Belanghebbende stelde zich onder meer op het standpunt dat de beweerdelijke douaneschuld die ten grondslag lag aan de UTB was verjaard. De rechtbank oordeelde dat dat inderdaad het geval was. De douaneschuld was naar het oordeel van de rechtbank teniet gegaan door verjaring omdat de inspecteur van de Belastingdienst niet aannemelijk had gemaakt dat de UTB daadwerkelijk op 19 juni 2014 ter post was bezorgd.

Oordeel Hof in hoger beroep

 Er werd – uiteraard niet door belanghebbende – hoger beroep ingesteld. De zaak kwam voor bij de Douanekamer van het Amsterdamse Hof. Het Amsterdamse Hof oordeelde

-  dat de mededelingstermijn die gelijk loopt aan de verjaringstermijn eindigde op 20 juni 2014;

-  dat een mededeling geschiedt door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde UTB;

-  dat daaruit volgt dat de verzending en niet de ontvangst van de UTB bepalend is voor de beoordeling of het bedrag van de rechten tijdig aan een belanghebbende is medegedeeld; en

-  dat in de regel ervan uitgegaan kan worden dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden.

Deze oordelen van het Hof zijn juist. Kort samengevat komt het erop neer dat een UTB tijdig is medegedeeld als de UTB tijdig ter post is bezorgd. Maar dat dient dan wel bewezen te worden door de Inspecteur als dat nu juist het punt is dat ter discussie staat.

Zoals gezegd: van een aangetekende verzending was geen sprake. Ook werd er geen gebruik gemaakt van een digitaal registratiesysteem. “Echt bewijs” was dus niet voorhanden. De Inspecteur verklaarde gedurende de procedure dat verzending van post altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor), dat dit nooit pas na die dagtekening gebeurt en dat dit onverkort voor de onderhavige UTB geldt. Deze werkwijze zou – aldus de Belastingdienst – door een interne postinstructie van de Belastingdienst ondersteund worden.

Het Hof oordeelde onder andere dat “het geen reden had” om aan de verklaring van de Inspecteur, die door een interne postinstructie van de Belastingdienst ondersteund zou worden, “te twijfelen”. Ook oordeelde het Hof dat het er voor moest worden gehouden dat de UTB belanghebbende eerder had bereikt dan 9 juli 2014. Onder andere deze oordelen vormden een reden voor het Hof om te komen tot het oordeel dat het Hof geen grond zag om te twijfelen aan de stelling van de Inspecteur dat het aanslagbiljet waarop de UTB is vermeld ter post is bezorgd op de datum van dagtekening, te weten 19 juni 2014: net binnen de verjaringstermijn dus. De douaneschuld die ten grondslag lag aan de UTB zou dus niet verjaard zijn.

Als u de hele uitspraak van het Hof wilt lezen, kan dat hier.

Oordeel Hoge Raad

Belanghebbende – bijgestaan door John Wolfs en Lotte Oostdam – heeft cassatieberoep ingesteld. Namens belanghebbende is onder meer gesteld dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, omdat voor terpostbezorging onvoldoende is dat de UTB – als dat al gebeurd zou zijn – intern is afgegeven voor verzending per post. Eveneens is namens belanghebbende gesteld dat als het Hof heeft willen oordelen dat de terpostbezorging altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening, dit oordeel eveneens onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep gegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de verzendtheorie van toepassing is. Zo oordeelde de Hoge Raad dat artikel 7:6 van de Algemene Douanewet meebrengt dat wanneer het aanslagbiljet aan de douaneschuldenaar wordt toegezonden, de dag van terpostbezorging van het aanslagbiljet bepalend is voor de beoordeling of het door de inspecteur vastgestelde bedrag van de rechten bij invoer tijdig is medegedeeld. Het gaat dus om de vraag: wanneer is er sprake van terpostbezorging?

Vervolgens oordeelde de Hoge Raad:

 “Het oordeel dat het aanslagbiljet aan belanghebbende is verzonden op de laatste dag vóór het verstrijken van de termijn van drie jaren, heeft het Hof gebaseerd op de hiervoor geciteerde verklaringen van de Inspecteur en de hiervoor bedoelde werkinstructie. Het Hof heeft zich gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting indien het ervan is uitgegaan dat voor ‘terpostbezorging’ zoals bedoeld hiervoor in 2.4.3 voldoende is dat de inspecteur of de ontvanger een poststuk intern afgeeft voor verzending per post. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, namelijk dat voor ‘terpostbezorging’ is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf, in dit geval volgens de werkinstructie: PostNL, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk de vaststelling dat aanbieding van post aan PostNL door medewerkers van de Belastingdienst/Douane altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor) en nooit daarna. Uit de hiervoor bedoelde verklaringen en werkinstructie kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat poststukken die de inspecteur of de ontvanger in de loop van de dag intern afgeeft voor verzending per post, ook altijd daadwerkelijk op die dag, althans altijd uiterlijk op de datum van dagtekening en nooit erna, door medewerkers van de Belastingdienst/Douane worden aangeboden aan PostNL. Daarom is evenmin begrijpelijk het op die vaststelling voortbouwende oordeel van het Hof dat het onderhavige aanslagbiljet ter post is bezorgd op de datum van dagtekening ervan, in dit geval 19 juni 2014. Middel I slaagt daarom in zoverre.”

Het intern afgeven van een poststuk zegt dus niets over de tijdige verzending en de daadwerkelijke terpostbezorging daarvan. Als het Hof dat bedoeld zou hebben, berust dat op een onjuiste rechtsopvatting. Als het Hof wel zou zijn uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, namelijk dat voor terpostbezorging is vereist dat het stuk wordt aangeboden aan een postvervoerbedrijf, is het oordeel van het Hof ook onbegrijpelijk aangezien er niet zomaar van uitgegaan mag worden dat aanbieding van post plaatsvindt op de datum van dagtekening en nooit daarna. Op grond hiervan is dus ook het oordeel dat de UTB ter post is bezorgd op de datum dagtekening – 19 juni 2014 – onbegrijpelijk.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof daarom vernietigd. Dit is voor belanghebbende een succes. De Hoge Raad heeft de zaak terug verwezen naar het Amsterdamse Hof. In de regel verwijst de Hoge Raad (als de Hoge Raad de zaak bij uitzondering zelf afdoet) de zaak na cassatie terug naar een ander Hof. In dit geval is dat echter niet mogelijk aangezien dit een zaak is die door de Douanekamer wordt behandeld en in Nederland hebben wij maar één Douanekamer. Dit betekent dat anders dan in andere zaken het zelfde Hof dient te beslissen over een zaak waarover het al eerder heeft beslist. Met andere woorden: the show goes on…

De belanghebbende is in deze zaak bijgestaan door John Wolfs en Lotte Oostdam.

Heeft u vragen over dit arrest? Of heeft u andere vragen? Dan neem gerust contact op.

 

Dit blogbericht is geplaatst op 20 februari 2020

Auteur Lotte Oostdam