English? Click here.

Van meet af aan was duidelijk dat een van de sectoren die de meeste klappen als gevolg van de coronauitbraak zou incasseren de transportsector betreft. De gevolgen zijn niet mals. De sluitingen van de grenzen van diverse Europese landen heeft inmiddels gezorgd voor het ontstaan van lange wachtrijen en files. Het is niet uitgesloten dat deze vertraging zelfs tot enkele dagen kan oplopen. Bovendien blijken de nodige truckstops langs de snelwegen gesloten te zijn. Dit bemoeilijkt onder meer de mogelijkheden van chauffeurs om tijdig en op hun route te rusten en te eten. Alhoewel op dit moment het goederentransport niet door landen met een algehele lockdown zoals Italië, Spanje en Frankrijk geweerd wordt, is het maar de vraag hoe lang dit zo zal blijven. Gezien de ware achtbaan van ontwikkelingen kan inmiddels niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld gaande een transportrit een land besluit haar grenzen ook voor goederentransport gesloten te houden. Deze omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de vervoerder de goederen niet tijdig of zelfs in het geheel niet kan afleveren. In dit blog, het eerste deel van twee delen, staan wij stil bij de aansprakelijkheidsrechtelijke gevolgen daarvan.

Uitgangspunt is aansprakelijkheid

Het uitgangspunt bij internationaal vervoer is dat de vervoerder aansprakelijk is bij vertraging in de aflevering die ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. Deze norm is neergelegd in het CMR-verdrag, dat dwingendrechtelijk van toepassing is indien er sprake is van internationaal vervoer over de weg. Bovendien kent het nationale recht ook een aansprakelijkheidsregime in de vorm van art. 8:1095 BW en verder. Kortom, zowel nationaal als internationaal komt schade tijdens transport – daaronder nadrukkelijk begrepen vertragingen in de aflevering – in beginsel voor rekening van de vervoerder.

Uitzondering: overmacht

De vervoerder beschikt echter over een mogelijkheid om onder het aansprakelijkheidsregime van de CMR uit te komen. Hetzelfde geldt voor het aansprakelijkheidsregime van het nationale recht. Een dergelijke ontsnapping geschiedt door middel van een beroep op zogeheten overmachtsbepalingen.

De vervoerder kan zich namelijk op grond van art. 17 CMR verschonen van de aansprakelijkheid indien de vertraging is veroorzaakt door:

1) de schuld van de rechthebbende,

2) door een opdracht van deze, welke niet het gevolg is van schuld van de vervoerder,

3) door een eigen gebrek van de goederen of,

4) door omstandigheden, die de vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.

Ten aanzien van de huidige ontwikkelingen zullen met name de punten 2 en 4 relevant zijn.

Waar het het tweede punt betreft, kan betoogd worden dat mogelijkheden van vertragingen in transport naar of door “locked-down-landen” ook bij de opdrachtgever/rechthebbende bekend zijn of mogen worden verondersteld. 

Onder het nationale recht geldt bovendien ten aanzien van het vierde punt dat op grond van art. 8:1098 BW de vervoerder niet aansprakelijk is voor vertragingen ontstaan door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover de vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.

De oplettende lezer zal op het eerste oog zijn opgevallen dat de twee ontsnappingsroutes in hun formulering weliswaar op elkaar lijken, maar niet identiek zijn. In tegenstelling tot de nationale bepaling spreekt de CMR namelijk niet van een ‘’zorgvuldig vervoerder’’. Desalniettemin kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat bij een beroep op overmacht onder de CMR bij de Nederlandse rechter eveneens wordt gemeten met de maatstaf van een zorgvuldig vervoerder. Beide normen zijn dus ondanks een afwijkende formulering in de praktijk en rechtspraak op elkaar afgestemd. Kortom, een beroep op overmacht kan zowel onder de CMR als de nationale wetgeving succesvol zijn indien – kort samengevat – de situatie voor een zorgvuldig vervoerder onvermijdbaar was.

De bewijslast voor dit laatste rust wel op de vervoerder. Voldoen hieraan is in de praktijk geen gemakkelijke opgave. De vervoerder zal namelijk moeten aantonen dat er enerzijds sprake is geweest van de onvermijdbare schadeveroorzakende omstandigheid en anderzijds aantonen dat de gevolgen daarvan door een zorgvuldig vervoerder niet verhinderd konden worden. Dit laatste wijst erop dat het niet zozeer de vraag zal zijn wat de vervoerder in kwestie kon doen en laten. In plaats daarvan wordt veeleer gekeken naar wat redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder verwacht mocht worden. In onze volgende blog zullen wij hier dieper op ingaan.

Advies nodig?

Heeft u vragen over dit onderwerp of heeft u advies nodig? Neem dan gerust contact op met een van onze advocaten, zoals Arsen Mukuchian, auteur van dit blog, Lotte Oostdam of John Wolfs

Dit blogbericht is geplaatst op 19 maart 2020