Uitspraak Hoge Raad

Op 15 februari 2019 heeft de Hoge Raad een interessante uitspraak[1] gewezen, welke uitspraak relevant is voor procedures op het gebied van douanezaken.

Waar ging het om?

Waar ging het in deze zaak om? Een belanghebbende heeft op 20 november 2007 aangifte gedaan voor een zending verse knoflookbollen. Op de invoeraangifte is Pakistan als oorsprongsland vermeld. De Inspecteur was echter van mening dat de knoflookbollen uit China kwamen en heeft als gevolg daarvan een uitnodiging tot betaling opgelegd, ook wel aangeduid als een naheffingsaanslag.

Belanghebbende was het niet eens met deze aanslag. Procedures volgden. De zaak kwam uiteindelijk terecht bij de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Procedureverloop

Indien en voor zover de Inspecteur een uitnodiging tot betaling oplegt, in dit geval omdat volgens de Inspecteur de knoflookbollen uit China kwamen, rust op de Inspecteur de bewijslast. In deze zaak moest de Inspecteur dus bewijzen dat de knoflookbollen niet uit Pakistan maar uit China kwamen.

De Douanekamer oordeelde in eerste instantie dat de uitnodiging tot betaling terecht was opgelegd. De Inspecteur zou voldoende hebben aangetoond dat de knoflookbollen van oorsprong uit China kwamen en heeft daarbij verwezen naar een rapport van een Amerikaans laboratorium. Het Hof verenigde zich met de stelling van de Inspecteur en oordeelde kort gezegd dat de Inspecteur voldoende had aangetoond dat de knoflookbollen uit China kwamen.[2] Indien u geïnteresseerd bent in deze uitspraak, kunt u deze hier terugvinden.

De Hoge Raad casseerde deze uitspraak van de Douanekamer. De Hoge Raad oordeelde onder meer dat het oordeel van de Douanekamer onvoldoende gemotiveerd was en daarmee ook onbegrijpelijk.[3] De Hoge Raad verwees de zaak terug naar deze zelfde Douanekamer om opnieuw te oordelen over de vraag of de Inspecteur voldoende had aangetoond dat de knoflookbollen uit China kwamen.

Douanekamer

Van belang is om te weten dat Nederland slechts één Douanekamer kent met een gering aantal leden c.q. raadsheren die oordeelt over zaken als deze. De regel in de praktijk is dat zodra een arrest c.q. uitspraak van een gerechtshof door de Hoge Raad (gedeeltelijk) vernietigd wordt door de Hoge Raad, de zaak verwezen wordt naar een ander gerechtshof. Als het vernietigde arrest bijvoorbeeld wordt gewezen door het Amsterdamse Gerechtshof, wordt de zaak bijvoorbeeld verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De achterliggende gedachte hierachter is dat een ander gerechtshof zonder (voor)kennis van de zaak de zaak opnieuw behandelt met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.

Echter, in bovenstaande zaak ging het om een uitnodiging tot betaling als gevolg van een invoeraangifte. Een douanezaak dus. Dergelijke zaken komen automatisch bij de Douanekamer terecht. Nederland kent dus maar één Douanekamer, hetgeen betekende dat de zaak na het arrest van de Hoge Raad opnieuw terecht kwam bij dezelfde Douanekamer. De Douanekamer die dus eerder een uitspraak had gewezen die vernietigd is door de Hoge Raad omdat de oordelen daarin onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk waren, moest opnieuw een uitspraak wijzen over dezelfde vraag, te weten of de Inspecteur voldoende had aangetoond dat de knoflookbollen uit China kwamen.

Daarmee ontstond dus feitelijk gezien de situatie dat eenzelfde Douanekamer zijn eigen vlees keurt.

Een slager die zijn eigen vlees keurt …..

De eerste uitspraak van de Douanekamer werd gewezen door mrs. Vrouwenvelder, Van Brummelen en Van Norden. De zaak kwam dus opnieuw bij de Douanekamer terecht. Wat bleek? Bij de tweede behandeling van de zaak werd een raadsheer betrokken die eerder betrokken was geweest bij de vernietigde uitspraak.

De Douanekamer oordeelde opnieuw dat de Inspecteur voldoende had aangetoond dat de knoflookbollen afkomstig waren uit China.[4] Indien u geïnteresseerd bent in deze uitspraak van de Douanekamer, kunt u deze hier terugvinden. Deze uitspraak werd gewezen door mrs. Bijlma, Hummel en opnieuw de eerder genoemde Van Brummelen.

Belanghebbende kon zich hiermee opnieuw niet verenigen en stapte voor de tweede maal naar de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof opnieuw een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.[5] De Hoge Raad oordeelde ook wat anders:

“Met het oog op het geding na verwijzing verdient nog het volgende opmerking. Het Hof heeft de eerste uitspraak gedaan in gedeeltelijk dezelfde samenstelling als de bestreden uitspraak. De bestreden uitspraak wordt vernietigd op eenzelfde grond als die waarop de eerste uitspraak is vernietigd. Uit het oogpunt van een behoorlijke rechtspleging dient het Hof deze zaak na verwijzing te behandelen en te beslissen in volledig andere samenstelling, dat wil zeggen zonder raadsheren die bij de eerste of de bestreden uitspraak betrokken zijn geweest.”

…. hetgeen niet gewenst is, ook niet door de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft de Douanekamer dus de opdracht gegeven om opnieuw te onderzoeken of de Inspecteur in de op hem rustende bewijslast is geslaagd, maar dit dient onderzocht te worden door raadsheren die niet betrokken zijn geweest bij de eerdere behandeling van de zaak. De Hoge Raad vestigt daarbij aandacht op een behoorlijke rechtspleging. Ondergetekenden zijn het met dit oordeel van de Hoge Raad helemaal eens.

Mr. C. Dion, voormalig raadsheer bij de Hoge Raad, schreef hier al eerder over[6]:

“Belandt de zaak dan weer op het bordje van precies dezelfde rechters die eerder hun eigen kijk op de zaak hadden, dan lijkt het niet steeds eenvoudig voor hen om tot een ander perspectief te komen vanwege het enkele feit dat de hogere rechter er anders over oordeelde. Is dat het geval, dan wordt de uitkomst na vernietiging en verwijzíng soms toch weer vanuit het oude perspectief beoordeeld. Dat is voor de partij die bij de hogere rechter succesvol was, maar de zaak aldus alsnog verliest, een niet eenvoudig te verteren zaak. Niet steeds zal het in dat soort kwesties mogelijk zijn om in een tweede appel (of cassatie) wederom tot een paradigmawisseling te komen. Een partij die aldus alsnog het lid op de neus krijgt, heeft soms het gevoel dat het beter zou zijn geweest indien de zaak, na vernietiging en verwijzing, niet door de (grotendeels) oorspronkelijke formatie zou worden (her)beoordeeld, maar door een nieuw samen te stellen formatie. De Hoge Raad zorgt hier al sinds jaar en dag voor door in beginsel standaard te verwijzen naar een andere rechter (zie voor de mogelijkheid art. 423 Rv).

Vanuit het perspectief dat het recht er niet alleen voor is om de winnaar in een procedure gelijk te geven, maar dat het evenzeer van belang is dat de verliezer zich (steeds fris) gehoord heeft gevoeld, zou ík ervoor willen pleiten dat rechters, als uitgangspunt, in dít soort zaken na verwijzing (of bij tweede cassatie) in een geheel nieuwe samenstelling oordelen. Het moge voor zich spreken dat zo’n nieuwe samenstelling niet per se het paradigma van de andere rechter behoeft te accepteren, zulks vloeit nu eenmaal voort uit ons beginsel van de onafhankelijke rechterlijke oordeelsvorming, maar een nieuwe formatie zou de schijn van vooringenomenheid, van een misschien niet echt frisse blik, vermijden. Hoe moet dan worden tewerk gegaan? Eenvoudig, zou ik menen, door steeds na verníetiging en verwijzing mogelijk te maken dat partijen zich uitlaten over de vraag of een andere samenstelling wenselijk is en door als uitgangspunt te hanteren dat een nieuwe formatie aangewezen is als een der partijen dat gemotiveerd bepleit.’

De auteurs van dit blog kunnen zich met het bovenstaande volledig verenigen.

Meer weten?

Wilt u meer weten? Of vragen? Neem dan contact op met Lotte Oostdam of John Wolfs.

Dit blogbericht is geplaatst op 23 maart 2019


[1] ECLI:NL:HR:2019:164.

[2] ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6137

[3] ECLI:NL:HR:2015:3467

[4] ECLI:NL:GHAMS:2018:421

[5] ECLI:NL:HR:2019:164.

[6] NJB 2018/636, afl. 13.