Gezagsverhouding en werkgeversrol zonder arbeidsovereenkomst

Wil de echte werkgever opstaan?

In twee recente uitspraken heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat ondanks het ontbreken van een arbeidsovereenkomst, toch sprake kan zijn van een gezagsverhouding en dus van een werkgeversrol.[1]

In beide zaken waren door de inspectiediensten overtredingen van de Arbeidstijdenwet geconstateerd en beboet. De hamvraag in hoger beroep was of de beboete  ondernemingen wel of niet verantwoordelijk konden worden gehouden voor de overtredingen in kwestie, of hen wel of niet een werkgeversrol toekwam. Beide ondernemingen stelden zich namelijk op het standpunt dat zij niet de werkgever waren van de betreffende werknemers. De parallellen in beide zaken zijn groot. Toch kreeg de een gelijk, en de ander niet.

Casus I

Een transportonderneming werd beboet vanwege overtreding van de Arbeidstijdenwet bij de inzet van Roemeense chauffeurs. Volgens de inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport overtrad het bedrijf de regels, onder meer doordat een deugdelijke rittenadministratie ontbrak. Het bedrijf kreeg hiervoor een boete en ging hiertegen in verweer. Niet zij, maar haar Roemeense zusterbedrijf was volgens de transportonderneming in de beboete gevallen de werkgever. Het vervoer werd immers verricht door de Roemeense firma en de daadwerkelijke arbeid vond plaats onder gezag van deze onderneming. Hoewel de transportopdrachten waren ontvangen door de Nederlandse entiteit, werden die doorgezet aan het zusterbedrijf in Roemenië. De transportactiviteiten zijn verricht ten behoeve van de zusteronderneming. Het was ook dit zusterbedrijf die de opdrachten en ladingen aan de haar beschikbare voertuigen en chauffeurs koppelde; zij stuurde eveneens de chauffeurs aan en betaalde hun loon uit.

Casus II

Een organisator van concerten werd beboet voor het feit dat in het kader van een gastoptreden (surprise act voor het publiek) een groep minderjarigen de gastartiest op het podium begeleidde. Voor het laten optreden van deze groep minderjarigen had volgens de arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW een ontheffing aangevraagd moeten worden. Nu dit niet was gedaan constateerde de inspecteur beboetbare overtredingen van de Arbeidstijdenwet. Ook de concertorganisator ging tegen de boetebeschikking in verweer. Net als de transportonderneming in de vorige casus nam ook de concertorganisator het standpunt in dat zij wegens het ontbreken van een gezagsverhouding tussen haar en (in dit geval) de kinderen niet als de werkgever kan worden aangemerkt, zodat de boete ten onrechte was opgelegd. De concertorganisator had gecontracteerd met de (overigens meerderjarige) gastartiest, althans zijn management, en niet separaat met de kinderen. De kinderen maakten deel uit van de begeleidingsgroep van de gastartiest, aldus de concertorganisator. Daar had zij geen zeggenschap over.

De overwegingen van de Raad van State

Niet in geschil in beide zaken was dat de transportonderneming en de concertorganisator geen arbeidsovereenkomsten hadden met de chauffeurs respectievelijk de kinderen. In zoverre bestond er dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat beide ondernemingen werkgever waren zoals bedoeld in de standaardbepaling van artikel 1:1, eerste lid van de Arbeidstijdenwet.[2]

Gezien de standpunten in beide zaken lag volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak de vraag voor of de transportonderneming en concertorganisator konden worden aangemerkt als werkgever als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, van die wet. Dit tweede lid wordt wel als een vangnetbepaling aangemerkt aangezien hierin is bepaald dat onder het begrip werkgever mede wordt verstaan degene die zonder werkgever in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten.

De Afdeling Bestuursrechtspraak haalt vervolgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:1 van de Arbeidstijdenwet aan. Daaruit volgt dat er sprake kan zijn van een situatie waarbij niet van een arbeidsovereenkomst gesproken kan worden, terwijl er toch arbeid wordt verricht door personen in een gezagsverhouding tot een ander, van wie zij, voor wat betreft de arbeids- en rusttijden afhankelijk zijn. Uit de memorie van toelichting op de Arbeidstijdenwet volgt verder dat een gezagsverhouding aanwezig geacht kan worden, wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. Deze omschrijving heeft tot gevolg dat het een breed scala aan gezagsrelaties omvat, namelijk zowel de gezagsrelatie in een strikt hiërarchische organisatie, als die in een arbeidsrelatie waarin in de praktijk vrijwel nooit instructies of aanwijzingen worden gegeven (zie TK 1993/94, 23646, nr.3, blz. 67-68).

De uitkomst

Het is vaste jurisprudentie dat bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding acht dient te worden geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden.

In de zaak van de transportonderneming heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak bijzonder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de toenmalige directeur van de Nederlandse hoofdvestiging ook directeur was van het in Roemenië gevestigde bedrijf waar de chauffeurs in dienst waren. Zo zou onder zijn regie en dagelijkse leiding de ritplanning van het transportmaterieel van zowel de Nederlandse en Roemeense vestiging hebben plaatsgevonden, althans hebben kunnen plaatsvinden. Ook stond op de vrachtbrieven steeds alleen de Nederlandse entiteit als vervoerder vermeld, zodat het aldus de Afdeling Bestuursrechtspraak moet worden aangenomen dat de ritten onder haar verantwoordelijkheid en gezag zijn uitgevoerd. Verder zou de transportonderneming de overweging van de rechtbank in de voorafgaande beroepsprocedure dat de chauffeurs haar aanwijzingen in beginsel moesten opvolgen, onvoldoende hebben betwist. Daarom was volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak hier wél sprake van een werkgeversrol voor de transportonderneming.

De concertorganisator trok uiteindelijk wél aan het langste eind. Aan de hand van het door haar geschetste feitencomplex kon namelijk niet worden uitgesloten dat de kinderen tijdens de concerten onder gezag van een ander, in deze bijzondere situatie de gastartiest, arbeid verrichtten. Ook anderszins bleek niet dat de concertorganisator het recht had de kinderen sturing te geven en de kinderen verplicht waren zich aan dergelijke sturing te houden. Ten overvloede merkte de Afdeling Bestuursrechtspraak nog op dat uit de redactie van de betreffende wettelijke bepaling voortvloeit dat in geval van kinderarbeid als verantwoordelijk persoon wordt aangemerkt ‘de’ werkgever en niet ‘een’ werkgever. Het gaat er dus om vast te stellen wie ‘de’ werkgever van de kinderen is. Oftewel, wil de echte werkgever opstaan?

Conclusie

Het ontbreken van een arbeidsovereenkomst hoeft niet in de weg te staan aan het bestaan van een gezagsverhouding en dus van een werkgeversrol. Dat kan leiden tot ongewenste en niet voorziene gevolgen. Het is dus zaak om contracten zodanig op te stellen en de feitelijke gang van zaken zodanig in te richten dat aan de hiervoor gegeven criteria voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding niet wordt voldaan.

Advies nodig?

Heeft u vragen over arbeidsrechtelijke kwesties? Wij staan u graag bij en/of geven u graag advies. U kunt zich wenden tot Milan Gaber en Peter Kostons.


[1] ECLI: NL:RVS: 2019:54 resp. ECLI: NL: RVS: 2018:3492.

[2] In dit wetsartikel is de werkgever gedefinieerd als degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst gehouden is tot het verrichten van arbeid.