In het handelsverkeer wordt nagenoeg altijd gebruik gemaakt van schriftelijke documenten om aan te tonen welke afspraken tussen partijen zijn gemaakt. Dergelijke documenten worden in de regel door alle betrokken partijen bekrachtigd door het plaatsen van een handtekening. Hiermee geeft iedere partij aan kennis te hebben genomen van hetgeen in het document uiteen is gezet en zich daarmee akkoord te verklaren. Indien naderhand een geschil ontstaat naar aanleiding van de overeenkomst, wordt deze laatste in de meeste gevallen in het geding gebracht als bewijs. Niet zelden wordt hierbij echter vervolgens door de wederpartij betwist dat zij die desbetreffende overeenkomst heeft ondertekend. In dit blog staan wij stil bij de algemene bewijskracht van een ondertekende overeenkomst en de gevolgen van een ontkenning van de ondertekening daarvan.    
  
Vrij en dwingend bewijs 

In het Nederlands bewijsprocesrecht wordt uitgegaan van de zogenoemde vrije bewijsleer. Dit houdt in dat het bewijs van een bepaalde stelling kan worden geleverd door alle denkbare wijzen, behoudens enkele wettelijke uitzonderingen. Het is vervolgens de rechter die het geleverde bewijs waardeert en bepaalt of een partij is geslaagd in de bewijslevering. Dit uitgangspunt kent echter een aantal uitzonderingen, waaronder het fenomeen dwingend bewijs. Dit laatste is aan de orde indien de rechter in beginsel verplicht is de inhoud van een bepaald bewijsmiddel als waar aan te nemen, dan wel de bewijskracht te erkennen die de wet toekent aan bepaalde gegevens. Het is vervolgens aan de wederpartij om aan te tonen dat het door de eisende partij geleverde bewijs niet met de werkelijkheid overeenstemt. 
  
Een voorbeeld van een bewijsmiddel dat dwingend bewijs oplevert is een tussen partijen gesloten overeenkomst, ook wel een onderhandse akte genoemd in de wet. Dergelijke overeenkomsten worden doorgaans door partijen ondertekend. Legt een partij in een procedure een dergelijke overeenkomst over, dan dient de rechter voor de verhouding tussen die partijen in beginsel uit te gaan van de juistheid van de verklaringen in die overeenkomst. Het is vervolgens aan de andere partij om aan te tonen dat het bewijs ondanks die overeenkomst niet is geleverd. Het spreekt voor zich dat dit voor de partij die zich beroept op een onderhandse akte een voordelige uitgangspositie oplevert. Eveneens vanzelfsprekend is dat de wederpartij gebaat kan zijn bij het ontkrachten van een dergelijke onderhandse akte. Voor zover een ondertekening door een partij stellig wordt betwist, dient de partij die de overeenkomst in het geding brengt, de echtheid van de handtekening te bewijzen. Zolang dat niet is gebeurd, heeft de onderhandse akte geen enkele bewijskracht. 

Casus 

In een recente uitspraak over een aannemingsgeschil heeft de Hoge Raad nader uitleg gegeven over de bewijsrechtelijke kracht van de onderhandse akte waarvan de ene partij de ondertekening betwist. De situatie was als volgt. Een echtpaar gaat over tot aankoop van een woning die toe is aan een renovatie. Hiervoor wordt een aannemer ingeschakeld. Na aanvang van de werkzaamheden blijkt toch dat op bepaalde punten het nodige meerwerk verricht zal dienen te worden. Uiteindelijk gaan opdrachtgever en opdrachtnemer echter op slechte voet uit elkaar, waarbij zij wederzijds vorderingen op elkaar in een procedure aanhangig maken. De aannemer stelt nog aanspraak te maken op een vergoeding voor onder meer het verrichte meerwerk. Om dit te bewijzen overlegt hij overeenkomsten, oftewel onderhandse aktes, die door beide echtlieden zouden zijn voorzien van een handtekening. Het echtpaar ontkent op haar beurt deze documenten te hebben ondertekend. 
  
Rechtbank en hof 

In eerste en tweede aanleg vindt de aannemer de rechtbank en het hof aan zijn zijde en wordt door hen in het gelijk gesteld. Hierbij heeft het hof opgemerkt dat het in voldoende mate vast is komen te staan dat het document ten aanzien van het meerwerk door het echtpaar is ondertekend. Het hof hecht geen waarde aan de ontkenning van het echtpaar, aangezien zij in de ogen van het hof deze betwisting onvoldoende hebben weten te onderbouwen. Evenmin heeft het echtpaar aangeboden om de valsheid van de handtekeningen te bewijzen, aldus het hof. 
  
Hoge Raad 

De Hoge Raad gaat echter niet mee met de redenering van de rechtbank en het hof en vernietigt de uitspraak van het hof. Hierbij sluit de Hoge Raad aan bij het wettelijke stelsel van het bewijsrecht. In dit kader geldt dat zodra een partij in een procedure stellig ontkent een handtekening te hebben gezet op een overeenkomst, het aan de wederpartij is om de echtheid van deze handtekening aan te tonen. Het hof is buiten het boekje getreden door het verbinden van aanvullende voorwaarden aan een dergelijke stellige ontkenning. Hierbij heeft zij over het hoofd gezien dat een stellige ontkenning niet nader hoeft te worden onderbouwd door de partij die zich daarop beroept. In plaats hiervan is het juist aan de partij die een beroep doet op de overeenkomst om de echtheid van de handtekening te bewijzen. Dit kan bijvoorbeeld worden bewezen door het inschakelen van een forensisch handschriftdeskundige. 
  
Conclusie 

Het bovenstaande maakt duidelijk dat het belangrijk is om stil te staan bij de dossieropbouw in het kader van onderhandelingen en het sluiten van overeenkomsten met wederpartijen. Immers, zelfs als uw wederpartij daadwerkelijk een bepaald document heeft ondertekend, is het niet uitgesloten dat zij in een procedure dit zal proberen te ontkennen. U kunt in dat geval op extra kosten worden gejaagd als u de echtheid van de handtekening moet bewijzen. Het verdient dan ook aanbeveling om belangrijke afspraken met partijen niet uitsluitend afhankelijk te laten zijn van ondertekende documenten, maar in dit kader ook bijvoorbeeld getuigen aanwezig te laten zijn bij de ondertekening daarvan. Met de wederpartij via e-mail communiceren en op die manier afspraken maken en/of bevestigen zal uw bewijspositie ook ten goede komen en een ondertekende overeenkomst extra sterk maken.   
  
Advies nodig? 

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Dan kunt u zich wenden tot Arsen Mukuchian.

Dit blogbericht is geplaatst op 13 mei 2019