HR 23 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2165

Inleiding

De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak nog eens duidelijk aangegeven op welke wijze het toepasselijk recht dient te worden bepaald in het geval er sprake is van internationaal wegvervoer.

De aanleiding van de zaak is de aanspraak die twee Hongaarse vrachtwagenchauffeurs maakten op betaling van loon conform de Nederlandse cao. Beide chauffeurs waren als internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst van de Hongaarse vennootschap Silo-Tank. Laatstgenoemde vennootschap is een zustervennootschap van een Nederlandse transportonderneming. De eigenaar van de Nederlandse transportonderneming is tevens bestuurder en eigenaar van Silo-Tank.

Beide chauffeurs wonen in Hongarije, zijn daar sociaal verzekerd en daar belastingplichtig. Zij ontvangen loon naar Hongaars recht. Beide werknemers worden regelmatig ingezet voor opdrachten die door de Nederlandse moedervennootschap aan Silo-Tank worden verstrekt. Hierbij werden de internationale ritten echter voor een zeer beperkt deel in tijd en kilometrage in Nederland uitgevoerd. Wel begonnen en eindigden de ritten regelmatig in Nederland. De chauffeurs keerden verder op regelmatige basis terug naar Hongarije om van daaruit weer te werk worden gesteld. Vanaf het moment van vertrek vanuit hun woonplaats in Hongarije naar de opstapplaats ontvingen zij loon. Zowel de Nederlandse zustervennootschap als Silo-Tank maken onder andere voor hun planning, orderverwerking, administratie en ICT gebruik van een derde (in Nederland gevestigde) onderneming.

Op de Nederlandse zustervennootschap is de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur van mobiele kranen (verder de cao Beroepsgoederenvervoer) van toepassing. In de arbeidsovereenkomsten tussen de twee chauffeurs en Silo-Tank is geen rechtskeuze gemaakt. Ook is de cao Beroepsgoederenvervoer niet in de arbeidsovereenkomst geïncorporeerd.

Vordering chauffeurs

De twee chauffeurs zijn van mening dat Silo-Tank de Nederlandse arbeidsvoorwaarden had moeten toepassen en Nederlands loon moest uitbetalen. Dit op grond van artikel 6 EVO[1], dan wel op grond van artikel 8 van Verordening Rome 1[2]. Verder hebben de chauffeurs gesteld dat op grond van de Detacheringsrichtlijn[3] de financiële arbeidsvoorwaarden uit de algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer en (na het einde van de looptijd van die cao) de Nederlandse wettelijke bepalingen over het minimumloon, de vakantiebijslag en de vakantiedagen van toepassing zijn. Eenvoudig gezegd zijn de chauffeurs van mening dat zij betaald hadden moeten worden naar Nederlandse maatstaven.

Het leerstuk

De vraag welk recht van toepassing is op de individuele overeenkomt met een grensoverschrijdend karakter moet worden beantwoord aan de hand van het EVO indien de arbeidsovereenkomst is gesloten vóór 17 december 2009 en aan de hand van Rome 1 indien de overeenkomst op of na 17 december 2009 is gesloten.

Artikel 6 lid 2 sub a EVO bepaalt dat bij gebreke van een rechtskeuze, een arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Artikel 8 lid 2 Rome 1 heeft een soortgelijke regeling en verwijst naar het recht van het land waar of van waaruit de werknemer ten uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Samengevat dient er dus primair gekeken te worden naar het zogenaamde ‘gewoonlijk werkland’.

Indien dat gewoonlijk werkland niet kan worden vastgesteld, dan wordt de overeenkomst op grond van het EVO/Rome 1 beheerst door het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.

Beide voornoemde artikelen geven echter ruimte om van de bovenstaand hoofdregels af te wijken. Indien namelijk uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het gewoonlijk werkland, dan is het recht van dat andere land van toepassing.

De criteria die in dezen het meest lastig vast te stellen zijn betreffen:

1.     het gewoonlijk werkland en;

2.     het land waarmee de overeenkomst een nauwere band heeft.


Ad 1 (gewoonlijk werkland)

Dit criterium dient ruim te worden uitgelegd en te worden toegepast wanneer het voor de rechter mogelijk is te bepalen met welk land de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft[4]

Bij het bepalen van een aanknopingspunt dient de rechter rekening te houden met alle elementen die de werkzaamheden van de werknemer betreffen. In geval van internationaal wegvervoer dient de rechter met name (en dus niet limitatief), vast te stellen in welke staat:

-       zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht;

-       de werknemer instructies voor de opdracht ontvangt en hij zijn werk organiseert;

-       zich de plaats bevindt waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden (bijvoorbeeld vrachtwagens);

-       het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht;

-       de goederen worden gelost en;

-       de plaats zich bevindt waar de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.

Samengevat is het gewoonlijk werkland het land waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheden kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens de werkgever vervult.

Ad 2 (nauwere verbondenheid)

Als het gewoonlijk werkland is vastgesteld, maar de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan dat waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, dan dient het recht van het gewoonlijk werkland buiten toepassing te worden gelaten en het recht van dat andere land te worden toegepast[5].

Bij het bepalen van de nauwere verbondenheid dient de rechter rekening te houden met alle relevante factoren die de arbeidsbetrekking kenmerken. Onder dergelijke factoren worden onder andere (dus eveneens niet limitatief) verstaan:

-       het land waar de werknemer (inkomsten)belasting en heffingen betaalt;

-       het land waar de werknemer sociaal verzekerd is;

-       het land waar de werknemer deelneemt aan een pensioenverzekering, ziektekostenverzekering en/of invaliditeitsregeling;

-       andere omstandigheden zoals de criteria betreffende het salaris en andere arbeidsvoorwaarden.

Indien de rechter van mening is dat er een nauwere verbondenheid is met een ander land dan het gewoonlijk werkland, dan dient de rechter dit te motiveren.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt in de zaak van de twee Hongaarse chauffeurs de bovenstaande leer en stelt vast dat de beoordelingscriteria strikt door de rechter moeten worden meegenomen bij de beoordeling van het toepasselijk recht. In de zaak van de twee Hongaarse chauffeurs had het gerechtshof wel rekening gehouden met de criteria (en was het hof tot de conclusie gekomen dat Hongarije het gewoonlijk werkland is), maar volgens de Hoge Raad niet in voldoende mate. De belangrijkste reden voor dit oordeel van de Hoge Raad was dat het hof bij het bepalen van het gewoonlijk werkland en het land waarmee eventueel een nauwere band bestaat, dezelfde omstandigheden had gebruikt. Het oordeel van het hof kon volgens de Hoge Raad dan ook niet in stand blijven en de zaak is verwezen naar een ander hof.

Omdat er parallel aan deze zaak een procedure loopt tussen de FNV en Silo-Tank over de toepassing en uitleg van de Detacheringsrichtlijn laat de Hoge Raad zich hier niet over uit. Dit is dus ‘to be continued’.

Het is nu in ieder geval (nog) meer duidelijk hoe dient te worden bepaald welk recht van toepassing is bij grensoverschrijdende arbeid, meer specifiek bij internationaal wegvervoer. 

Indien u vragen heeft bij grensoverschrijdende arbeid, dan kunt u contact opnemen met mr. Ben Ramaekers.


[1] Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst

[2] Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europese parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van   toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst

[3] Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten

[4] HvJEU 15 maart 2011, zaak C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151 (Koelzsch)

[5] HvJEU 12 september 2013, zaak C-64/12, ECLI:EU:C:2013:551 (Schlecker)