De casus

In een zaak is door een verzoeker aan de rechtbank verzocht alle bestuurders van een stichting te ontslaan en anderen in hun plaats te benoemen. De verzoeker heeft daartoe gesteld dat de stichting meer geld uitgeeft aan personeels-, huisvesting en organisatiekosten dan dat het haar is toegestaan op grond van de wet, haar statuten en het testament van een erflater dat de nalatenschap van de stichting beheert.

Dit verzoek heeft echter voor de verzoeker niet tot het gewenste resultaat geleid. De rechtbank en het hof hebben de verzoeker namelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft daarbij gesteld dat de verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat de verzoeker bestuurder is geweest van een aan de stichting gelieerde vereniging, afdelingsbestuurder is en daarvan lid is, volstaat volgens het hof niet. Ook het feit dat verzoeker binnen de vereniging herhaaldelijk kritiek heeft geuit op het bestedingsbeleid van de stichting, maakt hem volgens het hof nog geen belanghebbende. Het is aan de vereniging om toezicht op het stichtingsbestuur uit te oefenen, aldus het hof. De vereniging heeft bevoegdheden en is financieel verbonden met de stichting. Daarom is de vereniging nauwer betrokken bij de financiële situatie van de stichting dan de verzoeker.

De Hoge Raad

De Hoge Raad heeft echter anders geoordeeld. De Hoge Raad herhaalt zijn eerdere standaardoverweging van zijn arrest uit 2006 en maakt korte metten met het oordeel van het hof. Daarbij heeft de Hoge Raad de omstandigheden opgesomd ten gunste van verzoeker en heeft als volgt geoordeeld. Het hof heeft door te oordelen dat de omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, ontoereikend zijn voor de conclusie dat verzoeker voldoende nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld (te weten: de vraag of het bestedingsbeleid van de stichting voldoet aan de testamentaire – en statutaire voorwaarden), onvoldoende inzicht gegeven in haar gedachtegang. Zonder nadere motivering valt volgens de Hoge Raad niet in te zien dat een en ander onvoldoende is om verzoeker als belanghebbende aan te merken. Daarbij is van belang dat aan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat verzoeker geen bestuurder van de stichting is (geweest) in dit verband geen beslissende betekenis toekomt.

De Hoge Raad heeft het arrest van hof dan ook vernietigd en heeft de zaak naar een ander hof verwezen.

Advies nodig?

Wij staan u graag bij en/of geven u advies. U kunt zich wenden tot John Wolfs.